← Nederland

ECLI:NL:OGEAA:2018:14

Vonnis van 10 januari 2017 Behorend bij A.R. 907 van 2017 (AUA201701479) GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA VONNIS in de zaak van: de naamloze vennootschap ROMAR TRADING COMPANY N.V., te Aruba, EISERES, hierna ook te noemen: Romar, gemachtigde: de advocaat mr. W.G.T.M. Kloes, tegen: [Gedaagde], te Aruba, [adres], GEDAAGDE, hierna ook te noemen: [gedaagde], procederend in persoon. 1DE PROCEDURE 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 11 oktober 2017; - de brief met producties, ingediend op 8 november 2017 aan de zijde van Romar; - de aantekeningen van de griffier ter gelegenheid van de comparitie op 10 november

  1. 1.2 De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis. 2DE VASTSTAANDE FEITEN 2.1 Partijen hebben bij vaststellingovereenkomst van 3 april 2017 het dienstverband met wederzijds goedvinden beëindigd. 2.2 In de vaststellingovereenkomst van 3 april 2017 is onder meer het volgende opgenomen: “
  2. Werknemer heeft een rekening courant schuld bij de werkgever welke per heden AWG 49.544,71 beloopt. Werknemer zal een uitdraai ontvangen van deze schuld.
  3. Werknemer heeft per heden recht op 20 vakantiedagen. Het hiermee corresponderende netto bedrag zal worden verrekend met de rekening courant schuld. Werknemer zal een payslip ontvangen van het netto bedrag van de vakantiedagen.
  4. Omtrent het pro resto saldo van de rekening courant schuld zullen partijen in goed en redelijk overleg een afbetalingsregeling treffen, zulks binnen 4 weken na heden.” 2.3 Partijen hebben geen afbetalingsregeling gesloten zoals opgenomen onder punt 4 van de vaststellingsovereenkomst van 3 april
  5. 2.4 [gedaagde] heeft geen betalingen verricht ter aflossing van de rekening courant schuld. 3DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN 3.1 Romar vordert – na wijziging van eis ter gelegenheid van de comparitie na antwoord en bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag ad Afl. 41.564,59, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 mei 2017, met veroordeling van gedaagde tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten conform het nieuw procesreglement 2016 en de proceskosten (waaronder de beslagkosten). 3.2 Romar grondt de vordering erop dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de uit de overeenkomst voortvloeiende (betalings)verplichting. 3.3 [gedaagde] voert hiertegen verweer, dat bij de beoordeling aan de orde komt. 4DE BEOORDELING 4.1 [gedaagde] heeft de vordering erkend, maar maakt bezwaar tegen de gevorderde rente, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. 4.2 Aanspraak op de wettelijke rente bestaat vanaf het moment dat de schuldenaar in verzuim is. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] schriftelijk in gebreke is gesteld, zodat Romar eerst vanaf de dag waarop het onderhavige verzoekschrift is ingediend, aanspraak heeft op de wettelijke rente. 4.3 Romar baseert de buitengerechtelijke incassokosten blijkens het inleidend verzoekschrift op het bepaalde in artikel 6:96 lid 2 sub c BW. Daartoe stelt Romar dat vele buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en dat Romar meerdere malen met [gedaagde] heeft gesproken. Romar heeft deze stelling evenwel niet met verifieerbare stukken onderbouwd. Het gerecht acht derhalve termen aanwezig om de buitengerechtelijke kosten toe te wijzen, conform het procesreglement en gebaseerd op een half punt van liquidatietarief
  6. 4.4 [gedaagde] heeft impliciet ook bezwaar gemaakt tegen de proceskosten. Zij stelt dat zij bereid was een betalingsregeling te treffen met Romar, maar dat Romar hier niet op is ingegaan. Volgens haar is de rechtsingang evenwel nodeloos gemaakt. Het gerecht is van oordeel dat het op de weg van [gedaagde] had gelegen om reeds met het afbetalen te beginnen. Gesteld noch gebleken is dat zij dit heeft gedaan. Romar heeft er belang bij om een executoriale titel te verkrijgen. Als de in het ongelijk te stellen partij zal [gedaagde] de proceskosten van Romar moeten vergoeden, aan de zijde van Romar begroot op Afl. 750,- aan griffierecht, Afl. 196,65 aan explootkosten en Afl. 1.250,- aan salaris gemachtigde. 5DE UITSPRAAK De rechter in dit gerecht: 5.1 veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Romar van een bedrag van Afl. 41.564,59, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 mei 2017 tot de dag waarop volledig zal zijn betaald, alsmede tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad Afl. 625,00 5.2 veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van Romar worden begroot op Afl. 750,- aan griffierecht, Afl. 196,65 aan explootkosten en Afl. 1.250,- aan salaris van de gemachtigde; 5.3 verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 5.4 wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M. Vanwersch rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 10 januari 2018 in aanwezigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.