← Nederland

ECLI:NL:OGEAA:2018:349

Beschikking van 5 juni 2018 behorend bij EJ nr. 2519 van 2017/AUA201703116 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA BESCHIKKING in de alimentatiezaak tussen [VERZOEKER] , wonende in Aruba, VERZOEKER, hierna: de vader, gemachtigde: de advocaat mr. P.M.E. Mohamed, en [VERWEERSTER], wonende in Aruba, VERWEERSTER, hierna: de moeder, gemachtigde: de advocaat mr. E.M.J. Cafarzuza. 1DE PROCEDURE 1.1 De procedure blijkt uit: het verzoekschrift, ingediend op 16 november 2017; het verweerschrift, ingediend op 12 april 2018; de griffiersaantekeningen van de mondelinge behandeling van 17 april 2018, waaruit blijkt dat zijn verschenen de vader bijgestaan door mr. C.S. Edwards, occuperende voor mr. P.M.E. Mohamed, en de moeder bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd. 1.2 De uitspraak is bepaald op heden. 2DE FEITEN 2.1 Uit het huwelijk tussen partijen is de thans nog minderjarige [naam kind] op [geboortedatum] 2006 in [land] geboren. 2.2 Bij beschikking van het Gerecht van Eerste Aanleg te Bonaire van 1 november 2012, met registratienummer E 39/2012, is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, is de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de moeder bepaald en is de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige bepaald op $ 400,-- per maand.

  1. HET VERZOEK 3.1 Het verzoek strekt tot wijziging van bovengenoemde beschikking van 1 november 2012 in die zin dat het door de vader te betalen bedrag aan kinderalimentatie op nihil zal worden gesteld, dan wel dat deze op nihil wordt gesteld ingaande oktober 2014, dan wel februari
  2. Tevens wordt verzocht dat het gerecht de moeder beveelt om uitvoering te geven aan de door partijen op 13 februari 2015 overeengekomen omgangsregeling, bij gebreke waarvan de moeder een onmiddellijk opeisbare dwangsom verschuldigd is aan de vader van Afl. 500,- per dag of gedeelte van een dag dat zij weigert aan de uitvoering mee te werken. 3.2 De moeder voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verweer, kosten rechtens. 4DE BEOORDELING Wijziging kinderalimentatie 4.1 Het verzoek is gebaseerd op artikel 1:401 leden 1 en 4 van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (BWA). Ingevolge die bepaling kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud, bij latere uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen of indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord, doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. 4.2 De vader voert aan dat er sprake is van wijziging van omstandigheden. Volgens de vader verblijft de minderjarige, op grond van de tussen partijen overeengekomen omgangsregeling van de Voogdijraad van 13 februari 2015, vaker bij hem dan bij de moeder. De behoefte voor de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige zijdens de moeder zou volgens de vader dan ook niet langer bestaan. 4.3 Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken, is gebleken dat bovengenoemde omgangsregeling moeizaam is verlopen. Dat de minderjarige dan ook vaker bij de vader verblijft, op grond van de overeengekomen omgangsregeling, zoals door hem wordt gesteld, is niet gebleken. Verder heeft de vader niet gesteld, noch met stukken onderbouwd, dat hij de bij beschikking van 1 november 2012 vastgestelde alimentatiebedrag niet kan betalen. Het verzoek met betrekking tot wijziging van de bovengenoemde alimentatiebeschikking zal dan ook worden afgewezen. Omgang 4.4 Het gerecht ziet geen aanleiding om de moeder te bevelen uitvoering te geven aan de door partijen op 13 februari 2015 overeengekomen omgangsregeling, nu de vader niet aannemelijk heeft gemaakt dat de moeder zich niet aan bovengenoemde omgangregeling houdt en nu bedoelde omgangsregeling niet bij beschikking is vastgesteld. Om de moeder te veroordelen tot betaling van een dwangsom ex artikel 611a van het Burgerlijke Rechtsvordering van Aruba (RV) bestaat er dan ook geen grond. Dit onderdeel van het verzoek zal derhalve worden afgewezen. 4.5 Ten overvloede overweegt het gerecht het volgende. Uit vaste jurisprudentie volgt dat, indien het een omgangsregeling betreft, het belang van het kind voorop gesteld dient te worden. Het gerecht is van oordeel dat indien een dwangsom wordt opgelegd, dit de onderlinge verhouding van partijen niet ten goede kan komen, hetgeen zou kunnen leiden tot (nog meer) spanningen en loyaliteitsconflicten bij de minderjarige. Het belang van de minderjarige verzet zich dan ook tegen een omgangsregeling waaraan de moeder op straffe van een dwangsom dient mee te werken. 4.6 Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 5DE BESLISSING Het gerecht: wijst het verzoek af. Aldus gegeven door mr. W.J. Noordhuizen, rechter in dit gerecht, en in het openbaar uitgesproken ter zitting van dinsdag 5 juni 2018 in aanwezigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.