Beschikking van 2 oktober 2018 behorend bij E.J. nr. 2109 van 2017/AUA201702547 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA BESCHIKKING op het verzoek van: [VERZOEKSTER], wonende in Aruba, VERZOEKSTER, hierna de moeder, gemachtigde: de advocaat mr. G.L. Griffith, tegen [VERWEERDER], wonende in Aruba, VERWEERDER, hierna de vader, gemachtigde: de advocaat mr. M.O. Lopez. Belanghebbende: Belanghebbende, de minderjarige 1DE PROCEDURE Het eerdere verloop van de procedure blijkt uit de beschikking van dit gerecht van 6 februari 2018. Bij die beschikking is Voogdijraad verzocht een onderzoek in te stellen naar de sociale omstandigheden van partijen ter beantwoording van de vraag welke hoofdverblijfplaats in het belang wordt geacht van de minderjarige en op welke wijze invulling dient te worden gegeven aan het omgangsrecht van de ouder bij wie de minderjarige de gewone verblijfplaats niet zal hebben, en daarover een rapport uit te brengen. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: het rapport van de Voogdijraad van 6 juni 2018, ingediend op 12 juni 2018, de overlegde stukken zijdens de moeder, de griffiersaantekeningen van de mondelinge behandeling van de zaak achter gesloten deuren op 21 augustus 2018, waaruit blijkt dat de moeder is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde en de vader bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens de Voogdijraad was aanwezig mevrouw [vertegenwoordigster]. De uitspraak is bepaald op heden. 2DE VERDERE BEOORDELING Hoofdverblijfplaats 2.1 Zoals in de tussenbeschikking van 6 februari 2018 reeds is overwogen kunnen, in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening, geschillen tussen de ouders de hoofdverblijfplaat van de minderjarige betreffende op verzoek van beiden of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. 2.2 Het rapport van de Voogdijraad van 6 juni 2018 vermeldt onder meer het volgende. Uit het onderzoek is gebleken dat de minderjarige bij de vader woont samen met zijn huidige partner en de twee kinderen van zijn partner, dat de woning van de vader in orde is en dat de ontwikkeling van de minderjarige geen gevaar dreigt te lopen indien vader het hoofdverblijf behoudt. Nu dat de ontwikkeling van de minderjarige geen gevaar dreigt te lopen indien hij zijn hoofdverblijf bij de vader heeft, zijn er volgens de Voogdijraad geen gronden aanwezig om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige te wijzigen. Daarom acht de Voogdijraad de meest geschikte hoofdverblijfplaats bij vader. Voogdijraad adviseert dan ook om de hoofdverblijfplaats bij de vader te handhaven. 2.3 Uit het rapport van de Voogdrijraad blijkt evenwel niet van enig bezwaar tegen een van de ouders of tegen hun woonomstandigheden. Beide ouders en hun woonomstandigheden blijken gelijk geschikt te zijn. Gelet op het rapport van de Voogdijraad, hetgeen ter zitting is besproken en de omstandigheid dat het welbevinden en welzijn van de minderjarige geen gevaar dreigt te lopen bij de vader, ziet het gerecht geen aanleiding om verandering in de hoofdverblijfplaats van de minderjarige aan te brengen. Dit onderdeel van het verzoek van de moeder zal dan ook worden afgewezen. Omgang 2.4 Ingevolge artikel 1:377h BWA kan de rechter, in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening, een regeling vaststellen inzake de omgang tussen het kind en de ouder bij wie het kind zijn gewone verblijfplaats niet heeft. 2.5 Uit het onderzoek van de Voogdijraad is gebleken dat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.