Uitspraak d.d. 15 oktober 2018 Gaza nr. AUA201802687 Gaza nr. AUA201803101 HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA UITSPRAAK op de verzoeken tot het treffen van een voorziening bij voorraad als bedoeld in artikel 94 van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van: [verzoeker], wonend in Aruba, VERZOEKER gemachtigde: de advocaat mr. P.A.J. van der Biezen, gericht tegen: DE GOUVERNEUR VAN ARUBA, DE MINISTER VAN JUSTITIE, VEILIGHEID EN INTEGRATIE, zetelend in Aruba, VERWEERDERS, gemachtigde: A. Lumenier (DWJZ). PROCESVERLOOP Verzoeker heeft zich op 28 augustus 2018 tot het gerecht gewend met het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening inzake de betaling van salaris over de maand augustus
- Dit verzoek is geregistreerd onder het nummer AUA
- Verzoeker heeft zich op 28 september 2018 tot het gerecht gewend met het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening inzake de betaling van salaris over de maand september
- Dit verzoek is geregistreerd onder het nummer AUA
- Het verzoek is op 1 oktober 2018 ter zitting behandeld, alwaar zijn verschenen verzoeker en zijn gemachtigde, en verweerders vertegenwoordigd door hun gemachtigde voornoemd. Uitspraak is bepaald op heden. DE FEITEN 1.1 Verzoeker is per 16 januari 1979 benoemd als ambtenaar en is per 25 mei 1994 benoemd tot buitengewoon agent van politie bij het Openbaar Ministerie. 1.2 Verzoeker is met ingang van 1 november 2009 ter beschikking gesteld van het ministerie van Integratie, Infrastructuur en Milieu. 1.3 Verzoeker is sedert 1 november 2013 ter beschikking gesteld van het bureau van de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie. 1.4 Op of omstreeks 24 april 2018 heeft verzoeker opgemerkt dat zijn bezoldiging over april 2018 niet aan hem is uitbetaald en heeft verzoeker zich tot de Departamento di Recurso Humano (DRH) gewend om zijn nieuwe bankrekeningnummer door te geven. 1.5 Bij beslissing van 21 mei 2018 heeft DRH verzocht tot aanhouding van het salaris van verzoeker, nu het Openbaar Ministerie heeft bericht dat verzoeker niet meer op dienst is verschenen. 1.6 Op of omstreeks 24 mei 2018 heeft verzoeker opgemerkt dat zijn bezoldiging wederom niet is uitbetaald. 1.7 Op 25 juni 2018 is verzoeker door het Openbaar Ministerie uitgenodigd voor een gesprek op 26 juni
- Verzoeker is niet verschenen en heeft zich afgemeld. 1.8 Verzoeker heeft zich op 31 juli 2018 tot het gerecht gewend met het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening inzake de betaling van salaris over de maanden april tot en met juli
- Dit verzoek is op 8 augustus 2018 ter zitting behandeld. 1.9 Bij brief van 9 augustus 2018 heeft verzoeker verweerder bericht dat hij bereid is het werk te hervatten. 1.10 Bij uitspraak van 17 augustus 2018 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van 31 juli 2018 afgewezen. 1.11 Bij brief van 7 september 2018 heeft DRH aan de Minister van Justitie, Veiligheid en Integratie, onder meer geadviseerd om de bezoldiging vanaf 9 augustus 2018 aan verzoeker uit te betalen. 1.12 Bij brief van 19 september 2018 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen het niet uitbetalen van het salaris over de maand augustus
- 1.13 Bij brief van 5 oktober 2018 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen het niet uitbetalen van het salaris over de maand september
- DE OVERWEGINGEN 2.1 Ter zitting zijn de partijen tot de gezamenlijke slotsom gekomen dat, mede gelet op het advies van DRH van 7 september 2018, de betaling van salaris aan verzoeker dient te worden hervat met ingang van 9 augustus 2018 en dat dit tevens betekent dat het salaris over de maand september 2018 dient te worden betaald. 2.2 De voorzieningenrechter ziet aanleiding overeenkomstig het voorgaande een voorziening te treffen. 2.3 Ter zitting heeft verzoeker het opleggen van een dwangsom betreffende de uitbetaling van salaris bepleit. Tevens heeft verzoeker verzocht verweerder te veroordelen tot betaling van wettelijke rente over het alsnog te betalen salaris. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding op deze punten een voorziening te treffen. Verzoeker kan deze verzoeken desgewenst in de bodemprocedures aan de orde stellen. 2.4 Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat in een voorzieningenprocedure als de onderhavige geen wettelijke grondslag. DE UITSPRAAK De rechter in dit gerecht: - treft de voorziening dat verweerder aan verzoeker het salaris dient te betalen over de periode 9 augustus 2018 tot en met 30 september
- Deze uitspraak is gegeven door mr. A.J.H. van Suilen, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 15 oktober 2018 in aanwezigheid van de griffier. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.