Vonnis van 31 januari 2018 Behorend bij A.R. no. 918 van 2013 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA VONNIS in de zaak van: Eiser, wonende Aruba, eiser, hierna ook te noemen: [eiser], gemachtigde: de advocaat mr. A.J. Swaen, tegen: de rechtspersoon naar het recht van de Britse Maagdeneilanden CALEDONIA INTERNATIONAL PROPERTIES INC., gevestigd in Tortola (Britse Maagdeneilanden), hierna ook te noemen: Caledonia, en: Gedaagde 2, wonende in [Woonplaats] (Venezuela), hierna ook te noemen: [gedaagde 2], gedaagden, gemachtigde: de advocaat mr. Q.D.A. Carrega. 1DE PROCEDURE 1.1 Het verloop van de procedure tot 17 februari 2016 blijkt uit het vonnis van dit Gerecht van die datum (hierna: het GEA-vonnis), krachtens welke het Gerecht zich onbevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van en te oordelen over de conventionele vorderingen van [eiser] en voorts de reconventionele vordering van [gedaagde 2] heeft afgewezen. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 19 september 2017 met als registratienummer AR918/13 – ghis 79880 – H261/16 (hierna: het Hofvonnis), krachtens welke het Hof onder meer het conventionele en reconventionele deel van het GEA-vonnis heeft vernietigd en - anders dan de conventionele procedure - de reconventionele procedure heeft teruggewezen naar het Gerecht voor verdere behandeling en afdoening. 1.2 Vonnis is bepaald op heden. 2DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN 2.1 Na vermindering van eis verzoekt [eiser] dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis kosten rechtens: -Caledonia en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt - des dat hetgeen de één heeft de ander bevrijdt - om aan [eiser] te betalen US$ 11.634.976,06, althans enig ander door het Gerecht in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 3 mei 2006 althans 15 april 2013. 2.2 Caledonia en [gedaagde 2] voeren verweer en concluderen dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vorderingen, althans tot ontzegging daarvan, kosten rechtens te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 14 dagen na de uitspraak van dit vonnis. 3DE BEOORDELING 3.1 Er zijn gronden gesteld noch gebleken waaruit volgt dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door hem verzochte. Het ontvankelijkheidsverweer van [gedaagde 2] en Caledonia wordt daarom verworpen. 3.2 Het Hof heeft in zijn hiervoor vermeld vonnis onder 2.1.1 tot en met 2.1.5 feiten vastgesteld. Het Gerecht sluit aan bij die vaststellingen en maakt die tot de zijne, en is van oordeel dat ook het volgende vast staat tussen partijen. 3.2.1 Ter zake van bij partijen genoegzaam bekende in 1999 tot stand gekomen plannen tot ontwikkeling van het in het Hofvonnis onder 2.1.1 vermelde timeshareproject (hierna: het project) is onder meer tussen [gedaagde 2] en [eiser] afgesproken dat [gedaagde 2] het project zou financieren en dat [eiser] de werkzaamheden zou (laten) uitvoeren. Ten tijde van die afspraak had zich nog geen koper gemeld om het project te kopen. 3.2.2 In 2006 heeft Caledonia International (hierna: Caledonia) onder meer alle aandelen in Caledonia Properties en Caledonia Development verkocht aan een derde. Caledonia heeft 10% van de netto opbrengst van die verkoop uitbetaald aan [eiser]. 3.2.3 Ten tijde van de hiervoor onder 3.2.2 vermelde verkoop waren de hiervoor onder 3.2.1 vermelde plannen niet gerealiseerd. 3.3 In het licht van vorenstaande stelt [eiser] - zo het Gerecht heeft begrepen uit het met nogal wat niet of minder ter zake doende stellingen doorspekte betoog van [eiser] - dat hij recht heeft op betaling van 49% van de hiervoor onder 3.2.2 bedoelde netto opbrengst omdat tussen hem [gedaagde 2] op 12 mei 2005 is overeengekomen dat [eiser] voor 49% en [gedaagde 2] voor 51% zou deelnemen in Caledonia Properties en Caledonia Development. Die overeenkomst is volgens [eiser] als volgt tot stand gekomen: nog voor de voor akkoord ondertekening door [gedaagde 2] van het in Hofvonnis onder 2.1.4 vermelde geschrift (hierna: het document) heeft [eiser] desgevraagd door [gedaagde 2] (in bijzijn van [Naam X] aan [gedaagde 2] uitgelegd dat met de in het document vermelde meerderheid wordt bedoeld 51%. Die stellingen hebben Caledonia en [gedaagde 2] gemotiveerd bestreden, waardoor ze vooralsnog niet vast staan. Evenmin staat vast de door [gedaagde 2] gemotiveerd bestreden stelling van [eiser] dat betaling aan [eiser] van een deel van de hiervoor onder 3.2.2 vermelde netto opbrengst ook zou plaatsvinden indien het project - en vast staat dat daarvan sprake is - ten tijde van de verkoop van Caledonia Properties en Caledonia Development niet zou zijn gerealiseerd. 3.4 Nu hij dat heeft aangeboden brengt vorenstaande met zich dat [eiser] zal worden toegelaten om door middel van het doen horen van getuigen te bewijzen dat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.