← Nederland

ECLI:NL:OGEAA:2018:824

Uitspraak van 29 oktober 2018 Zaaknummer AUA201802842 LAR GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA UITSPRAAK op het verzoek in de zin van artikel 54 van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van: [Naam Verzoekster], gevestigd in Aruba, VERZOEKSTER, gemachtigde: de advocaat mr. M.B. Boyce, gericht tegen: De minister van Justitie, Veiligheid en Integratie , zetelende in Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: A. Lumenier (DWJZ). 1PROCESVERLOOP Bij brief van 23 juli 2018 heeft verweerder verzoekster verboden haar werkzaamheden welke een hindervergunning vereisen, voort te zetten totdat op de aanvraag om een hindervergunning is beslist. Hiertegen heeft verzoekster bezwaar gemaakt door indiening van een bezwaarschrift op 2 augustus 2018. Verzoekster heeft op 11 september 2018 een verzoekschrift ingediend bij dit gerecht, strekkende tot schorsing van de beschikking van 23 juli 2018 en tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek is behandeld ter zitting van 24 september 2018, waarbij zijn verschenen verzoekster bij haar Directeur, mevrouw [naam Directeur], en haar Operation Manager, de heer [naam Operation Manager], bijgestaan door de gemachtigde voornoemd, en verweerder bij de gemachtigde voornoemd. Hierna is uitspraak nader bepaald op heden. 2OVERWEGINGEN 2.1 Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Lar, kan, indien krachtens deze landsverordening een bezwaar- of beroepschrift aanhangig is, de indiener daarvan aan het gerecht verzoeken om de bestreden beschikking onderscheidenlijk beslissing op het bezwaarschrift te schorsen op grond, dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang. Ingevolge het tweede lid van genoemd artikel kan ter voorkoming van nadeel als bedoeld in het eerste lid, op het verzoek van genoemde indiener ook een voorlopige voorziening worden getroffen. 2.2 Aan de bestreden beschikking heeft verweerder - samengevat - ten grondslag gelegd dat verzoekster bedrijfsactiviteiten met graafmachines en werktuigen verricht zonder in het bezit te zijn van de daarvoor vereiste hindervergunning en dat deze werkzaamheden hinder veroorzaken voor de omwonenden. 2.3 Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij geen hindervergunning nodig heeft, omdat zij een zandgroeve exploiteert. Een zandgroeve is geen inrichting als bedoeld in artikel 1 van de Hinderverordening en artikel 1 van het Hinderbesluit, aldus verzoekster. Verzoekster meent dat de bestreden beschikking ongegrond en in strijd met de wet is en dat verweerder jegens haar onzorgvuldig heeft gehandeld. Door het opgelegde verbod lijdt zij schade, omdat de bedrijfsvoering is stopgezet en de kosten wel door lopen, die niet kan worden weggenomen door een eventuele vernietiging van de bestreden beschikking in de bezwaar- of beroepsprocedure. 2.4 Ter beoordeling ligt voor de vraag of verzoekster al dan niet handelt in strijd met de Hinderverordening. Bij de beoordeling neemt de voorzieningenrechter het volgende in aanmerking. De relevante wettelijke bepalingen 2.4.1 Ingevolge artikel 1 van de Hinderverordening (AB 1988 no. GT 27, zoals laatstelijk gewijzigd bij AB 2014 no. 11) is het verboden zonder vergunning van de minister van Justitie en Publieke Werken inrichtingen, die hetzij door de verspreiding van stank, rook of dampen, hetzij door geraas of gedruis, hetzij anderszins, voor de omgeving hinder, schade of gevaar kunnen veroorzaken, op te richten, uit te breiden, van aard te veranderen of te verplaatsen. Het derde lid bepaalt dat bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, de inrichtingen worden aangewezen, die hinder, schade of schade of gevaar als bedoeld in het eerste lid kunnen veroorzaken. In artikel 1 van het Hinderbesluit (AB 1995 no. GT 20) worden onder andere “steenbrekerijen” aangewezen als inrichtingen die hinder, schade of gevaar kunnen veroorzaken. Ingevolge artikel 17 van de Hinderverordening wordt het voortzetten van de werkzaamheden in een inrichting als bedoeld in artikel 1, voor de oprichting waarvan geen vergunning is verleend door de minister van Justitie en Publieke Werken verboden en zo nodig wordt de inrichting gesloten of worden de daarin aanwezige werktuigen verzegeld. De feiten en omstandigheden 2.4.2 Aan verzoekster is bij Ministeriële Beschikking van 19 februari 2014 een vergunning ingevolge de Vestigingsverordening Bedrijven verleend, tot het vestigen en drijven van een zaak met als doel het optreden als projectontwikkelaar en in verband daarmee – voor zover hier van belang – draineren, droogleggen, ontwikkelen, in betere staat brengen, bewerken en bebouwen van onroerende zaken. 2.4.3 Verzoekster heeft op 8 juli 2014 bij huurkoopovereenkomst een perceel eigendomsgrond gelegen te [naam perceel], (kadastraal bekend als: I-T-774) gekocht met de bedoeling om op dit perceel een project te ontwikkelen. Artikel 5 van de overeenkomst bepaalt dat het perceel gebruikt zal worden om granietzand uit te graven. 2.4.4 Verzoekster heeft aan een derde, namelijk Brit Saud Holding NV, toestemming verleend om op bedoeld perceel te [naam perceel] werkzaamheden te verrichten en de grond te ontginnen. Deze derde heeft op 21 december 2017 een aanvraag ingediend ter verkrijging van een hindervergunning voor het ontginnen van grond, zand en steen, door boringen en gruizelen van steen. 2.4.5 In zijn advies van 14 juni 2018 heeft de Directeur van de Directie Natuur en Milieu vermeldt dat de grond-, zand- en steeninrichting te [naam perceel] op naam van Britt Saud Holding NV en Leblon Contractors & Development NV, een steenbrekerij is. 2.4.6 Ter zitting heeft de Operation Manager van verzoekster (hierna: de manager) desgevraagd te kennen gegeven dat de werkzaamheden van verzoekster tevens inhouden dat uitgegraven steen wordt vergruizeld. Volgens de manager gaat het hier om het vergruizelen van kleine stenen en niet om het breken van grote stenen of rotsen. Voor dat laatste is wel een hindervergunning nodig, volgens de manager. 2.5 De voorzieningenrechter stelt voorop dat in het Hinderbesluit bij de aanwijzing van steenbrekerijen als inrichtingen die hinder kunnen veroorzaken, geen onderscheid wordt gemaakt tussen het breken van grote rotsen enerzijds en het breken of vergruizelen van steen en puin anderzijds. In beiden gevallen kan immers hinder worden veroorzaakt, niet alleen bestaande uit geluidsoverlast (geraas en gedruis), maar ook anderszins, bijvoorbeeld door zand- en stofoverlast. 2.5.1 Gelet hierop heeft verweerder zich, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, terecht op het standpunt gesteld dat het bedrijf van verzoekster, die zich onder andere bezighoudt met het vergruizelen van steen, een “steenbrekerij” is in de zin van artikel 1 van het Hinderbesluit, waarvoor een hindervergunning vereist is. 2.6 Gelet hierop heeft verweerder op goede grond toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 17 van de Hinderverordening en verzoekster verboden haar werkzaamheden zonder de vereiste vergunning voort te zetten. Voor schorsing van de bestreden beschikking dan wel het treffen van een voorlopige voorziening is dus geen aanleiding. 2.7 Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing. 3BESLISSING De rechter in dit gerecht: - wijst het verzoek af. Deze beslissing is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 29 oktober 2018 in aanwezigheid van de griffier. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.