Beschikking van 4 juni 2019 behorend bij E.J. AUA201900531 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA BESCHIKKING op het verzoek van 1FUNDACION GUIA MI, gevestigd in Aruba, 2. [naam moeder], de moeder, wonende in Nederland, VERZOEKS, gemachtigde: de advocaat mr. M.M. Malmberg. Belanghebbende: [naam minderjarige], de minderjarige, wonende in Nederland, 1DE PROCEDURE Het verloop de procedure blijkt uit: het verzoekschrift met producties, ingediend op 20 februari 2019; de griffiersaantekeningen van de mondelinge behandeling van 23 april 2019, waaruit blijkt dat zijn verschenen de verzoeker sub 1 bij mevrouw M. Tromp-van der Biezen bijgestaan door hun gemachtigde voornoemd. De uitspraak is bepaald op heden. 2DE FEITEN 2.1 Uit de moeder is op [geboortedatum] in Aruba geboren [naam minderjarige] (hierna: de minderjarige). De moeder is op [geboortedatum] in de Dominicaanse Republiek geboren en was minderjarig bij de geboorte van haar zoon. De minderjarige is niet erkend. 2.2 Bij beschikking van dit gerecht van 1 november 2016 (EJ 2487/16) is, gelet op de minderjarigheid van de moeder, aan de Fundacion Guia Mi de voogdij over de minderjarige opgedragen. 2.3 De moeder en de minderjarige zijn op 7 december 2018 uitgeschreven uit het bevolkingsregister van Aruba en met toestemming van Fundacion Guia Mi naar Nederland vertrokken om aldaar te gaan wonen. De minderjarige woont sindsdien met de moeder in Nederland. 3HET VERZOEK Het verzoek strekt ertoe om Fundacion Guia Mi te ontslaan uit de voogdij en de moeder te belasten met het gezag over de minderjarige. 4DE BEOORDELING Rechtsmacht 4.1 Gelet op de omstandigheid dat de minderjarige inmiddels – en nog voordat het verzoek is ingediend – niet meer in Aruba woont, is allereerst aan de orde de vraag of het gerecht rechtsmacht heeft in deze zaak. 4.2 Art. 429ba Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van Aruba (Rv) bepaalt in dat verband dat aan de rechter geen rechtsmacht toekomt, indien het verzoek onvoldoende aanknoping met de rechtssfeer van Aruba heeft. Van de relevante aanknopingspunten in zaken betreffende het gezag over minderjarigen moet het zwaarste - en doorgaans doorslaggevend - gewicht worden toegekend aan de gewone verblijfplaats van de minderjarigen, zijnde het uitgangspunt in het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 (en ook in de opvolger daarvan, het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996). 4.3 De minderjarige en de moeder wonen inmiddels in Nederland. Ligt de gewone verblijfplaats van het kind, zoals in casu, buiten Aruba, dan komt de Arubaanse rechter geen rechtsmacht toe. Uitzonderingssituaties zijn in zeer bijzondere omstandigheden denkbaar, maar het bestaan van dergelijke omstandigheden is hier niet gebleken. Bepalend is ook hier het belang van het kind. Het gerecht acht het in dit geval in het belang van de minderjarige dat de bevoegdheid “meeverhuist” naar de bevoegde Nederlandse rechter. 4.4 Het voorgaande betekent dat het gerecht in deze zaak geen rechtsmacht heeft. 5DE BESLISSING Het gerecht: verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek. Aldus gegeven door mr. E.M.D. Angela, rechter in dit gerecht, ter zitting van 4 juni 2019 in aanwezigheid van de griffier.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.