Beschikking van 11 juni 2019 Behorend bij E.J. no. AUA201803607 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA BESCHIKKING in de zaak van: [Verzoekster], wonende in Aruba, verzoekster, hierna ook te noemen: [verzoekster], gemachtigde: de advocaat mr. G.M. Sjiem Fat, tegen: de publiekrechtelijke rechtspersoon HET LAND ARUBA, zetelend in Aruba, gedaagde, hierna ook te noemen: het Land, gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock. 1DE PROCEDURE 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: -het verzoekschrift, met producties; -het verweerschrift, met producties; -de beslissing van dit Gerecht dat de mondelinge behandeling van de zaak zal plaatsvinden ter terechtzitting van dinsdag 19 maart 2019 om 11:30 uur. 1.2 [ verzoekster] is ter zitting verschenen samen met haar gemachtigde. Het Land is verschenen bij zijn gemachtigde. [verzoekster] heeft gebruik gemaakt van de aan haar geboden gelegenheid om bij wijze van repliek te reageren op het verweerschrift, en dat onder overlegging van een pleitnota voorzien van toegelaten nadere producties. Het Land heeft vervolgens gebruik gemaakt van de aan hem geboden gelegenheid om bij wijze van dupliek te reageren op het repliek van [verzoekster]. 1.3 Beschikking is nader bepaald op heden. 2DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN 2.1 [ verzoekster] verzoekt - na vermindering van eis - dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking: primair a. voor recht verklaart dat de opzegging door het Land van het dienstverband van [verzoekster] kennelijk onredelijk is; b. het Land veroordeelt en beveelt dat dienstverband te herstellen zulks op de dag volgende op de betekening van deze beschikking aan het Land, en bepaalt dat het Land ten behoeve van [verzoekster] een dwangsom verbeurt van Afl. 2.000,-- voor iedere dag of deel daarvan dat het Land die veroordeling en dat bevel niet opvolgt; c. het Land op de voet van het bepaalde in het tweede lid van artikel 7A:1615t BW veroordeelt om het door [verzoekster] gederfde loon plus emolumenten gedurende de periode vanaf haar ontslag tot aan het herstel van haar dienstbetrekking te vergoeden; subsidiair d. voor recht verklaart dat de opzegging door het Land van het dienstverband van [verzoekster] kennelijk onredelijk is; e. het Land op de voet van het eerste lid van artikel 7A:1615s BW veroordeelt om aan [verzoekster] te betalen een (lumpsum)vergoeding gelijk aan 1 jaar salaris, uitgaande van een gemiddeld maandloon van Afl. 2.360,--. 2.2 Het Land voert verweer en concludeert primair tot afwijzing van het door [verzoekster] verzochte, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren kosten rechtens. Subsidiair concludeert het Land tot matiging van de hiervoor onder e. door [verzoekster] verzochte vergoeding tot maximaal 3 maanden loon en tot compensatie van de proceskosten. 2.3 Voorzover van belang voor de beslissing worden de stellingen van partijen hierna besproken. 3DE BEOORDELING 3.1 Vast staat tussen partijen in elk geval het volgende. Krachtens tussen partijen gesloten schriftelijke arbeidsovereenkomsten van telkens 1 jaar was [verzoekster] vanaf 2013 tot 7 december 2017 in loondienst van het Land. Op 14 september 2017 heeft de DIMP de minister van Financiën verzocht het dienstverband met [verzoekster] met ingang van 7 december 2017 met één jaar te verlengen. De Ministerraad heeft dat verzoek goedgekeurd op 29 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.