Beschikking van 19 november 2019 behorend bij EJ nr. AUA201902613 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA BESCHIKKING in de alimentatiezaak tussen DE VOOGDIJRAAD, gevestigd in Aruba, VERZOEKER, vertegenwoordigd. en [Verweerder], wonende in Aruba, VERWEERDER, hierna te noemen de vader, gemachtigde: de advocaat mr. Z.J.E. Paesch. Belanghebbende: [Belanghebbende], de moeder. 1DE PROCEDURE De procedure blijkt uit: het verzoekschrift, ingediend op 6 augustus 2019; de stukken zijdens de vader, ingediend op 1 en 3 oktober 2019, de mondelinge behandeling ter zitting van 8 oktober 2019, waar zijn verschenen, mevrouw [medewerker] namens de Voogdijraad, de vader in persoon en bijgestaan door zijn gemachtigde en de moeder in persoon. De uitspraak is 2DE FEITEN De thans nog minderjarige [naam minderjarige] (hierna: de minderjarige) is op [geboortedatum] 2015 in Aruba geboren uit de relatie tussen de vader en de moeder.De vader heeft de minderjarige erkend. De moeder oefent van rechtswege het gezag over de minderjarige alleen uit. 3DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN 3.1 Het verzoek strekt tot het veroordelen van de vader tot betaling van een maandelijkse bijdrage van Afl. 450,- ingaande 1 september 2019 als voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige. Daartoe wordt gesteld dat de kosten van de minderjarige maandelijks Afl. 975,- bedragen en dat de vader voldoende inkomen uit arbeid geniet en in staat moet worden geacht bij te dragen in voornoemde kosten. 3.2 De vader heeft draagkrachtverweer gevoerd en de hoogte van de opgevoerde kosten van de minderjarige bestreden. Met name wordt betwist dat de minderjarige nog naar een crèche gaat voor Afl. 450,- per maand, of dat hij op zwemles en karate zit. Verder heeft hij aangevoerd dat hij na aftrek van zijn noodzakelijke vaste lasten, maandelijks slechts een bedrag van Afl. 96,- over houdt, maar dat hij desondanks bereid is om met een bedrag van Afl. 150,- per maand bij te dragen in voornoemde kosten van de minderjarige. 4DE BEOORDELING 4.1 Het gerecht stelt voorop dat ouders verplicht zijn te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Dit geschiedt naar draagkracht. Artikel 1:406 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (hierna: BWA) bepaalt, dat in het geval een ouder zijn verplichting tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding niet of niet behoorlijk nakomt, zowel de Voogdijraad als de andere ouder de rechter kan verzoeken het bedrag te bepalen dat deze ouder ten behoeve van het kind zal moeten uitkeren. 4.2 Bepalend voor de hoogte van de kinderalimentatie zijn de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige en de draagkracht van zowel de moeder als de vader. Teneinde ieders draagkracht te bepalen, dienen over en weer de netto-inkomens te worden vastgesteld, alsmede de vaste lasten die in redelijkheid voorrang krijgen boven het betalen van kinderalimentatie. 4.3 De kosten van verzorging en opvoeding 4.3.1 Bij het vaststellen van de kosten van verzorging en opvoeding hanteert het gerecht als richtsnoer dat deze voor kinderen in de leeftijd als die van partijen gemiddeld Afl. 450,- per maand bedraagt. Het gerecht is van oordeel dat aangenomen kan worden dat de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige in de leeftijd als die van partijen rond dat bedrag liggen. In dit bedrag zitten begrepen de schoolkosten, de kosten van kleding en die van recreatie, zodat met de door de opgevoerde daadwerkelijke kosten van deze lasten bij de vaststelling van de kosten niet afzonderlijk rekening zal worden gehouden. Dit bedrag kan worden verhoogd indien blijkt van bijzondere uitgaven ten behoeve van de kinderen die niet zijn begrepen in genoemd bedrag van Afl. 450,-. 4.3.2 Het gerecht zal rekening houden met de posten buitenschoolse activiteiten (karate en zwemles) ad Afl. 125,-, nu uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting voldoende aannemelijk is geworden dat de minderjarige deze activiteiten volgt. Het gerecht zal geen rekening houden met de opgevoerde post “naschoolse opvang”, nu de moeder ter zitting te kennen heeft gegeven dat de minderjarige niet meer naar de crèche gaat. 4.3.3 Gelet op het vorenstaande kunnen de kosten van de minderjarige worden vastgesteld op Afl. 575,- per maand, waaraan de ouders naar draagkracht en naar evenredigheid dienen bij te dragen. 4.4 De draagkracht van de moeder 4.4.1 Uit de door de moeder overgelegde loonstroken blijkt dat zij kindertoelage ten behoeve van de minderjarige ontvangt van Afl. 55,- per maand. Dit bedrag komt de minderjarige toe. 4.4.2 Voorts blijkt uit de loonstroken dat zij een gemiddeld netto-maandloon heeft van Afl. 2.313,-. De moeder is ambtenaar en ontvangt als zodanig jaarlijks een vakantie-uitkering (Afl. 2.665), voorjaarspremie (Afl. 1.600), reparatiepremie (Afl. 1.600) en najaarspremie (Afl. 1.600). Haar netto-inkomen bedraagt maandelijks dan ook Afl. 2.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.