← Nederland

ECLI:NL:OGEAA:2019:789

Vonnis van 4 december 2019 Behorend bij A.R. nr. AUA201803927 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA VONNIS in de zaak van: de stichting STICHTING ZIEKENVERPLEGING ARUBA, gevestigd te Aruba, EISERES, hierna ook te noemen: SZA, gemachtigde: de advocaat mr. M.E.D. Brown, tegen:

  1. [GEDAAGDE 1], wonende te Aruba, GEDAAGDE, hierna ook te noemen: [gedaagde 1], gemachtigde: de advocaat mr. J.A.R. Bryson, 2 [GEDAAGDE 2], zonder bekende woon/verblijfplaats te Aruba, GEDAAGDE, hierna ook te noemen: [gedaagde 2], niet verschenen. 1DE PROCEDURE 1.1 Het verloop van de procedure tot 11 september 2019 blijkt uit het tussenvonnis van dit Gerecht van die datum. De bij dat vonnis gelaste comparitie van partijen na antwoord heeft plaatsgevonden op 21 oktober
  2. De SZA is toen verschenen bij haar gemachtigde, voor wie mr. M.D. Tromp heeft geoccupeerd, die werd vergezeld door dhr. [naam medewerker] (werkzaam op de afdeling debiteuren van SZA). [Gedaagde 1] is verschenen samen met haar gemachtigde. SZA en [gedaagde 1] hebben over en weer het woord gevoerd en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen. Hoewel behoorlijk opgeroepen is [gedaagde 2] niet verschenen. Tegen hem is daarom verstek verleend, en is zijn wederoproeping bevolen. Ook na behoorlijke wederoproeping is [gedaagde 2] niet verschenen. Ingevolge het tweede lid van artikel 82 Rv heeft dit vonnis tegenover [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te gelden als op tegenspraak gewezen, waartegen geen verzet openstaat. 1.2 Vonnis is nader bepaald op heden. 2DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN 2.1 SZA vordert dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde 1] en [gedaagde 2] veroordeelt: - om aan SZA te betalen Afl. 7.435,25, te vermeerderen met

(1)de wettelijke rente gerekend vanaf 27 januari 2016 over de oorspronkelijke hoofdsom van Afl. 7.669,-- tot aan de dag der algehele voldoening en
(2)Afl. 727,50 aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten; - in de proceskosten. 2.2 [ Gedaagde 1] voert verweer en concludeert primair tot (gedeeltelijke) afwijzing van de vorderingen en verzoekt subsidiair, voor zover zij veroordeeld wordt in de proceskosten, de griffierechten, het gemachtigdensalaris, en voorts de rente en de buitengerechtelijke incassokosten te matigen. Verder verzoekt [gedaagde 1] haar toestemming te verlenen om kosteloos te procederen. 2.3 De niet verschenen [gedaagde 2] heeft geen verweer gevoerd. 3DE BEOORDELING 3.1 Het Gerecht volhardt in zijn in het tussenvonnis neergelegde overwegingen en beslissingen. 3.2 Zoals reeds overwogen in het tussenvonnis heeft [gedaagde 1] erkend dat zij in elk geval de hoofdsom van Afl. 5.674,75 verschuldigd is aan SZA voor aan haar verleende medische diensten. Uit de schuldbekentenis van 19 oktober 2017 blijkt dat de aanvankelijke hoofdsom Afl. 7.669,-- bedraagt. Ter zitting heeft SZA onbestreden verklaard dat de betalingen van [gedaagde 1] door een omissie zijdens SZA niet juist zijn geboekt als gevolg waarvan er twee facturen zijn op grond waarvan de hoofdsom aan [gedaagde 1] in rekening is gebracht. Van de eerste factuur (nummer 7224773) met als bedrag Afl. 6.657,-- heeft [gedaagde 1] op 6 april 2016 Afl. 50,-- betaald. Aldus resteert er dienaangaande een bedrag Afl. 6.607,-. Van de tweede factuur (factuurnummer 7224777) met als bedrag Afl. 1.212,-- heeft [gedaagde 1] op 12 maart 2016 Afl. 100,--, op 6 april 2016 Afl. 50,-- en op 28 augustus 2016 Afl. 106,25 betaald. Aldus resteert er dienaangaande een bedrag van Afl. 955,75. 3.3 Vorenstaande brengt mee dat als niet of onvoldoende bestreden vast komt te staan dat [gedaagde 1] samen met [gedaagde 2] uit hoofde van zijn borgstelling in totaal (Afl. 6.607,-- + Afl. 955,75 =) Afl. 7.562,75 opeisbaar verschuldigd zijn aan SZA. De gevorderde hoofdsom van Afl. 7.435,25 zal daarom worden toegewezen. 3.4 Uit voormelde schuldbekentenis volgt naar eigen verklaring van [gedaagde 1] dat zij over het in die schuldbekentenis vermelde verschuldigde bedrag ad Afl. 7.669,-- vanaf 27 januari 2016 wettelijke rente verschuldigd is aan SZA. Het verweer van [gedaagde 1] op dit onderdeel mist in het licht daarvan feitelijke grondslag, en wordt daarom verworpen. De vordering ter zake van wettelijke rente zal worden toegewezen als na te melden. 3.5 Wat betreft de vordering ter zake van vergoeding van buitengerechtelijk gemaakte incassokosten wordt het volgende overwogen. SZA heeft met niet bestreden stukken onderbouwd gesteld dat er door haar meer buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht dan die waarvoor artikel 63a Rv een voorziening geeft. Het is redelijk dat SZA die werkzaamheden heeft verricht, en de door haar verzochte vergoeding daarvoor is eveneens redelijk. Die vergoeding wordt in beginsel vastgesteld overeenkomstig het bepaalde onder III van het liquidatietarief, te weten 1,5 punt van het te dezen toepasselijke tarief 3 van het liquidatietarief, ad Afl. 500,-- per punt, aldus Afl. 750,--. Het door SZA gevorderde bedrag is lager dan dat, en zal daarom worden toegewezen. 3.6 [ Gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van SZA, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 657,20 aan verschotten (griffiegeld + oproepingskosten) en Afl. 1.000,-- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten, tarief 3). 3.7 Uit het daartoe overgelegde door de daartoe bevoegde instantie verstrekte bewijs van onvermogen volgt dat [gedaagde 1] de kosten van deze procedure niet kan dragen. Aan [gedaagde 1] zal daarom verlof worden verleend tot kosteloos procederen. 4DE UITSPRAAK Het Gerecht: -veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om aan SZA te betalen Afl. 7.435,25, te vermeerderen met
(1)wettelijke rente over de oorspronkelijke hoofdsom van Afl. 7.669,-- gerekend vanaf 27 januari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en
(2)Afl. 727,50 aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten; -veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van SZA, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 657,20 aan verschotten en Afl. 1.000,-- aan salaris voor de gemachtigde; -verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; -verleent aan [gedaagde 1] verlof tot kosteloos procederen. Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 4 december 2019 in aanwezigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.