Vonnis van 6 februari 2019 Behorend bij K.G. no. AUA201803994 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA VONNIS IN KORT GEDING in de zaak van: [Eiseres], wonende in Aruba, eiseres, hierna ook te noemen: [eiseres], gemachtigde: de advocaat mr. G.W. Rep, tegen: de naamloze vennootschap BANCO DI CARIBE N.V., gevestigd in Aruba, gedaagde, hierna ook te noemen: BdC, gemachtigde: de advocaat mr. M.L.J.J.P. Willems. 1DE PROCEDURE 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met producties; - de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van de zaak ter terechtzitting van 9 januari 2019. 1.2 [ eiseres] is ter zitting verschenen samen met haar gemachtigde. BdC is verschenen bij haar gemachtigde, die werd vergezeld door [medewerkster] (medewerkster van BdC). Partijen hebben in twee termijnen het woord gevoerd - beiden mede aan de hand van een overgelegde en voorgedragen pleitnota, die van BdC voorzien van toegelaten producties - en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen. 1.3 Vonnis is nader bepaald op heden. 2DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN 2.1 [ eiseres] vordert dat het Gerecht - zo het begrijpt - bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: a. BdC beveelt om binnen drie werkdagen na de uitspraak van dit vonnis een schriftelijke verklaring af te geven aan [eiseres] waarin BdC verklaart: primair dat BdC geen vordering heeft op [eiseres], althans subsidiair dat een vermeende vordering op [eiseres] op basis van borgstelling is verjaard, althans meer subsidiair overeenkomstig een door het Gerecht juist voorkomende verklaring; b. BdC veroordeelt in de proceskosten. 2.2 BdC voert verweer en concludeert dat [eiseres] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door haar verzochte, althans tot afwijzing daarvan, kosten rechtens. 2.3 Voor zover van belang voor de beslissing worden de stellingen van partijen hierna besproken. 3DE BEOORDELING 3.1 Er zijn gronden gesteld noch gebleken waaruit kan volgen dat [eiseres] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door haar verzochte. Het ontvankelijkheidsverweer van BdC wordt daarom verworpen. 3.2 Het spoedeisend belang van [eiseres] bij haar vordering ligt besloten in de aard van die vordering en de daaraan ten gronde gelegde stellingen. Het verweer van BdC op dit onderdeel wordt verworpen. 3.3 Vast staat in dit geschil in elk geval dat [eiseres] zich op 29 april 2005 naast haar voormalig echtgenoot [voormalig echtgenoot] (hierna: [voormalig echtgenoot]) ten behoeve van BdC persoonlijk borg heeft gesteld voor een bedrag van Afl. 70.000,-- (plus (boete)rente en kosten) met betrekking tot een tussen BdC en Man Power Services N.V. (hierna: Manpower) gesloten overeenkomst van geldlening. Vast staat verder dat het huwelijk tussen [eiseres] en [voormalig echtgenoot] op enig in het verleden gelegen moment door echtscheiding is geëindigd en dat voormelde vennootschap per 2007 heeft opgehouden te bestaan. 3.4 Met BdC is het Gerecht van oordeel dat zowel de omstandigheid dat het huwelijk tussen [eiseres] en [voormalig echtgenoot] door echtscheiding is geëindigd alsmede de omstandigheid dat Manpower niet langer bestaat voormelde borgstelling van [eiseres] onverlet of onaangetast laten. 3.5 Eerst ter zitting heeft [eiseres] een beroep gedaan op vernietiging van haar borgstelling ten behoeve van BdC. Daargelaten het antwoord op de vraag of de rechtsvordering tot vernietiging van de rechtshandeling van [eiseres] tot bedoelde borgstelling al dan niet is verjaard op grond van het bepaalde in artikel 3:52 BW, mist haar door BdC bestreden beroep op vernietiging van die rechtshandeling naar het oordeel van het Gerecht feitelijke grondslag en wordt daarom gepasseerd. Gesteld noch gebleken is met name van welke vernietigingsgrond volgens [eiseres] sprake is, terwijl het Gerecht die grond niet kan afleiden uit of lezen in de stellingen van [eiseres]. 3.6 Naar het oordeel van het Gerecht heeft [eiseres] de stelling van BdC, dat Manpower krachtens voormelde overeenkomst van geldlening nog Afl. 43.878,92 verschuldigd is aan BdC, althans dat Manpower onder die overeenkomst dat aan BdC verschuldigde bedrag onbetaald heeft gelaten, onvoldoende onderbouwd bestreden. Dit temeer omdat BdC onbestreden heeft gesteld dat van de hoofdsom ad Afl. 48.899,48 waarvoor het bij partijen genoegzaam bekende beslag ten laste van Manpower op 23 januari 2007 is gelegd nadien Afl. 5.020,56 is afgelost. Aldus resteert er naar het voorshandse oordeel van het Gerecht een vordering van BdC van in hoofdsom (48.899,48 minus 5.020,56 =) Afl. 43.878,92, voor betaling van welke vordering [eiseres] zich naast [voormalig echtgenoot] persoonlijk borg heeft gesteld. 3.7 Niet in geschil is tussen partijen dat voormelde vordering inmiddels is verjaard. Dat brengt met zich dat betaling van dat vorderingsrecht niet langer in rechte kan worden afgedwongen door BdC jegens onder meer [eiseres] door instelling van een rechtsvordering daartoe. Dat brengt echter niet met zich dat bedoeld vorderingsrecht niet langer existent is; sprake is van een natuurlijke niet rechtens afdwingbare op [eiseres] rustende verbintenis tot (vrijwillige) betaling van bedoeld bedrag aan BdC, terwijl betaling ook plaats zou kunnen vinden door middel van verrekening zodra [eiseres] een vorderingsrecht heeft op BdC ten aanzien waarvan BdC verrekeningsbevoegd is. De stelling van [eiseres] dat BdC bedoelde (verjaarde) vordering reeds heeft afgeschreven in haar boeken vindt geen steun in de stellingen van BdC, en wordt daarom niet voorshands aannemelijk geoordeeld. 3.8 Vast staat tegen voormelde achtergrond dat [eiseres] bij twee andere banken, te weten de RBC en de CMB, krediet heeft aangevraagd en dat die banken een onderzoek of screening bij in elk geval BdC hebben verricht met betrekking tot de kredietwaardigheid van [eiseres]. In het licht daarvan heeft BdC voormelde banken medegedeeld dat [eiseres] een openstaande en onbetaald gelaten vordering van ruim Afl. 40.000,-- heeft bij BdC. Al dan niet mede op grond van die mededeling hebben voormelde banken om voor hen moverende redenen afgezien van het verstrekken van een geldlening aan [eiseres]. [eiseres] stelt als grondslag van haar vorderingen dat BdC met het doen van die mededeling
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.