← Nederland

ECLI:NL:OGEAA:2019:825

Uitspraak van 18 december 2019 Lar nr. AUA201904166 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA UITSPRAAK op het verzoek in de zin van artikel 54 van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van: [Verzoeker], van Venezolaanse nationaliteit, VERZOEKER, gemachtigde: mr. J.J.C. Odor, gericht tegen: DE MINISTER VAN JUSTITIE, VEILIGHEID EN INTEGRATIE, zetelend in Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: mr. M.P. Jansen (DWJZ). PROCESVERLOOP Bij bevelschrift, gedateerd 20 november 2019 (bestreden beschikking), heeft verweerder de uitzetting van verzoeker bevolen. Tegen deze beschikking heeft verzoeker op 26 november 2019 bezwaar gemaakt. Op 27 november 2019 heeft verzoeker bij dit gerecht een verzoekschrift als bedoeld in artikel 54 van de Lar ingediend. Het verzoek is behandeld ter zitting van 4 december

  1. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder bij zijn gemachtigde. Uitspraak is bepaald op heden. OVERWEGINGEN Wettelijk kader 1.1 Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Lar, kan, indien krachtens deze landsverordening een bezwaar- of beroepschrift aanhangig is, de indiener daarvan aan het gerecht verzoeken om de bestreden beschikking onderscheidenlijk beslissing op het bezwaarschrift te schorsen op grond, dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang. Ingevolge het tweede lid kan ter voorkoming van nadeel als bedoeld in het eerste lid, op het verzoek van de indiener ook een voorlopige voorziening worden getroffen. 1.2 Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Landsverordening toelating en uitzetting (Ltu) kunnen uitgezet worden personen die tot tijdelijk verblijf werden toegelaten, wanneer zij in het land worden aangetroffen, nadat de geldigheidsduur van hun tijdelijke verblijfsvergunning is verstreken of nadat de geldigheid van de vergunning door enige andere oorzaak is vervallen. Ingevolge het tweede lid geschiedt de uitzetting krachtens een met redenen omkleed bevelschrift van de minister, belast met justitiële aangelegenheden, houdende het bevel Aruba binnen een daarbij te bepalen termijn te verlaten. Het bevelschrift vermeldt de periode waarin aan de betrokkene de toelating tot Aruba zal worden geweigerd; deze periode bedraagt ten hoogste acht jaar. Ingevolge het derde lid wordt bij de bepaling van de in de eerste volzin van het tweede lid genoemde termijn aan betrokkene, indien nodig, voldoende tijd gelaten om orde op zijn zaken te stellen. Feiten 2.1 Verzoeker is op 3 november 2015 Aruba binnengekomen als toerist met een toegestane verblijfsduur van vijf dagen. 2.2 Op 4 oktober 2018 is ten behoeve van belanghebbende positieve DPL-verklaring afgegeven voor de termijn één jaar. 2.3 Op 16 april 2019 is een eerste aanvraag voor een vergunning tot tijdelijk verblijf ingediend. 2.4 Op 20 november 2019 is verzoeker door de afdeling Vreemdelingentoezicht van het Korps Politie Aruba werkend aangetroffen bij [X] als keukenhulp. 2.5 Op 25 november 2019 heeft verweerder de aanvraag ter verkrijging van een vergunning tot tijdelijk verblijf afgewezen. 2.6 Op 26 november 2019 heeft verzoeker een bezwaar tegen de afwijzende beschikking gemaakt. 2.7 Bij bestreden beschikking van 20 november 2019 heeft verweerder de uitzetting van verzoeker bevolen. Beoordeling
  2. Voor zover de toetsing aan het in artikel 54 van de Lar neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in de bodemprocedure.
  3. De voorzieningenrechter stelt vast dat nu verzoeker na het verlopen van de geldigheidsduur van zijn toetreding tot de arbeidsmarkt is aangetroffen, zich de in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, van de Ltu genoemde grond voor verwijdering voordoet. Dit betekent dat verweerder bevoegd is verzoeker uit te zetten.
  4. De voorzieningenrechter ziet voorts geen grond voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot het geven van een bevel tot uitzetting. Daartoe wordt als volgt overwogen.
  5. Verzoeker beroept zich op het bepaalde in artikel 5 van de ‘Beleidsinstructie overgangsbeleid t.a.v. vreemdelingen in het bezit van een positieve DPL-verklaring’. Daarin is het volgende bepaald: “Een vreemdeling ten behoeve van wie een eerste aanvraag voor een vergunning tot tijdelijk verblijf is ingediend en is afgewezen kan voor maximaal 5 maanden worden toegelaten in afwachting van een beslissing op zijn bezwaar of verzoek om ambtelijke heroverweging indien hij of zij voldoet aan de navolgende voorwaarden: Ten aanzien van de vreemdeling die Aruba destijds rechtmatig is er een geldende positieve DPL-verklaring afgegeven; De enige reden voor afwijzing van de vergunningsaanvraag betreft overschrijding van rechtmatig verblijf na rechtmatige binnenkomst; (….).”
  6. De voorzieningenrechter begrijpt deze bepaling aldus dat een vreemdeling voor maximaal vijf maanden kan worden toegelaten in afwachting van een beslissing op zijn bezwaar tegen een afwijzende beschikking, indien i) hij Aruba destijds rechtmatig is ingekomen en ii) er ten tijde van de aanvang van de vijfmaandstermijn een geldende positieve DPL-verklaring aanwezig is.
  7. De vijfmaandstermijn is aangevangen ten tijde van de afwijzende beschikking van 25 november
  8. Op dat moment was de DPL-verklaring niet meer geldig, zodat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 5 van voornoemde beleidsinstructie. Zijn beroep op dit overgangsbeleid faalt derhalve.
  9. Gezien het voorgaande bestaat geen grond voor schorsing van het bestreden bevelschrift. Het verzoek wordt afgewezen. BESLISSING De voorzieningenrechter: wijst het verzoek af. Deze beslissing is gegeven door mr. A.J.H. van Suilen, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 december 2019 in aanwezigheid van de griffier. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.