Beschikking van 10 maart 2020 Behorend bij EJ nr. AUA201901892 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA BESCHIKKING op het verzoek van: [verzoekster], wonende in Nederland, VERZOEKSTER, hierna: de moeder, gemachtigde: de advocaat mr. G. de Hoogd, tegen: [verweerder], wonende in Aruba, VERWEERDER, hierna: de vader, gemachtigde: de advocaat mr. N.S. Gravenstijn. Belanghebbenden: [naam minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in Aruba, [naam minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in Nederland, de minderjarigen. 1DE PROCEDURE De procedure blijkt uit: het verzoekschrift, ingediend op 7 juni 2019; de producties van de moeder, ingediend op 3 september 2019; het verweerschrift, ingediend op 9 september 2019; de mondelinge behandeling ter zitting met gesloten deuren van 10 september 2019, waar zijn verschenen de moeder bij haar gemachtigde, mr. D.L. Emerencia occuperend voor mr. G. de Hoogd, en de vader in persoon en bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd; de ter zitting van 3 december 2019 overgelegde financiële stukken zijdens partijen; de ter zitting van 28 januari 2020 ingediende aktes uitlating zijdens partijen. De uitspraak is bepaald op heden. 2DE FEITEN 2.1 De minderjarigen zijn geboren uit de affectieve relatie tussen de vader en de moeder. Zij zijn erkend door de vader. De moeder oefent van rechtswege het gezag over de minderjarigen alleen uit. 2.2 Op 12 juli 2019 zijn de minderjarigen en de moeder uit het bevolkingsregister uitgeschreven en zijn ze naar Nederland verhuisd. 3HET VERZOEK 3.1 Het verzoek strekt – naar het gerecht begrijpt – tot het bepalen van de hoofverblijfplaats van de minderjarigen bij de moeder en tot het veroordelen van de vader om –kort gezegd– kinderalimentatie te betalen. Daartoe wordt gesteld dat de vader voldoende draagkrachtig is. 3.2 De vader heeft draagkrachtverweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Voorts heeft de vader ter zitting verzocht een omgangsregeling tussen hem en de minderjarigen vast te stellen. 4DE BEOORDELING Bevoegdheid rechter 4.1 Het meest verstrekkende verweer van de vader betreft de onbevoegdheid van het gerecht om kennis te nemen van deze zaak. De vader heeft aangevoerd, dat het gerecht volgens het Haags kinderbeschermingsverdrag geen rechtsmacht (meer) heeft en niet (langer) bevoegd is om van deze zaak kennis te nemen, aangezien de moeder en de minderjarigen op 12 juli 2019 Aruba hebben verlaten en metterwoon naar Nederland zijn gegaan. 4.2 Het Gerecht overweegt als volgt. Ingevolge artikel 429ba van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van Aruba komt aan de rechter geen rechtsmacht toe indien het verzoek onvoldoende aanknoping met de rechtssfeer van Aruba heeft. Nu het in deze een zaak van interregionaal privaatrecht betreft (immers binnen het Koninkrijk), dient de rechter bij de beantwoording van de vraag of dit verzoek voldoende aanknoping met de rechtssfeer van Aruba heeft, zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij de bevoegdheidsbepalingen die voor hem gelden op het terrein van het internationaal privaatrecht (HR 2 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:163). Uit de jurisprudentie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (zie GHvJ van 21 augustus 2018, ECLI:NL:OGHACMB:2018:167) volgt, dat uit het oogpunt van concordantie en rechtseenheid binnen de regio, het de voorkeur verdient om aan te nemen dat het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijk recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, (’s Gravenhage 1996), die vanaf 1 mei 2011 gelding heeft in het Koninkrijk, behalve in Aruba en Sint Maarten, behoort tot het ongeschreven privaatrecht van Aruba. 4.3 Ingevolge artikel 4 van het verdrag is dit verdrag niet van toepassing op onderhoudsverplichtingen. Nu de onderhoudsplichtige (de vader) in Aruba woont en werkt, is het gerecht van oordeel dat het verzoek om kinderalimentatie voldoende aanknoping heeft met de rechtssfeer van Aruba en dat dit gerecht dan ook bevoegd is om van dit verzoek kennis te nemen. 4.4 Op grond van artikel 5 van het verdrag is voor de overige verzoeken (bepalen hoofdverblijfplaats en vaststellen omgangsregeling), kort gezegd, bevoegd de rechterlijke autoriteit van de Staat waar de kinderen hun gewone verblijfplaats hebben. Gelet hierop en nu de minderjarigen inmiddels in Nederland wonen is de Arubaanse rechter ten aanzien van die verzoeken niet meer bevoegd. Kinderalimentatie 4.5 Ouders zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Dit geschiedt naar draagkracht. Artikel 1:406 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (hierna: BWA) bepaalt, dat in het geval een ouder zijn verplichting tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding niet of niet behoorlijk nakomt, zowel de Voogdijraad als de andere ouder de rechter kan verzoeken het bedrag te bepalen dat deze ouder ten behoeve van het kind zal moeten uitkeren. Bepalend voor de hoogte van de kinderalimentatie zijn de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige en de draagkracht van zowel de moeder als de vader. Teneinde ieders draagkracht te bepalen, dienen over en weer de netto-inkomens te worden vastgesteld, alsmede de vaste lasten die in redelijkheid voorrang krijgen boven het betalen van kinderalimentatie. 4.6 De kosten van verzorging en opvoeding 4.6.1 De moeder heeft de maandelijkse kosten van de minderjarigen bepaald op € 700,- vermeerderd met de bijzondere kosten van noodzakelijke kinderopvang ad € 264,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.