Uitspraak van 3 februari 2020 Lar nr. AUA201902584 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA UITSPRAAK op het beroep in de zin van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van: [appellant], wonend in Aruba, APPELLANT, gemachtigde: mr. D.G. Kock, gericht tegen: de Minister van Justitie, Veiligheid en Integratie, zetelend in Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: mr. J. Paula (Dimas). 1PROCESVERLOOP Bij beschikking van 16 april 2019 heeft verweerder het verzoek van appellant om verlening van een tijdelijke verblijfsvergunning afgewezen. Op 10 mei 2019 heeft appellant daartegen bezwaar gemaakt. Tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar heeft appellant op 5 augustus 2019 beroep ingesteld bij dit gerecht. Op 10 oktober 2019 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Uitspraak is bepaald op heden. 2OVERWEGINGEN 2.1 In het verweerschrift heeft verweerder te kennen gegeven dat hij bij beschikking van 8 oktober 2019 alsnog heeft beslist op het door appellant gemaakte bezwaar. Daarbij heeft hij dat bezwaar ongegrond verklaard en de afwijzing van 16 april 2019 gehandhaafd. Een afschrift van deze beschikking is bij het verweerschrift gevoegd. Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft appellant op de rolzitting van 2 december 2019 te kennen gegeven dat hij het voorliggende beroep slechts wenst te handhaven om in aanmerking te komen voor teruggave van het door hem betaalde griffierecht en vergoeding van proceskosten. Onder deze omstandigheden bestaat evenwel geen belang bij het beoordelen van het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op het bezwaar van appellant gericht tegen de beschikking van 16 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.