Beschikking van 9 juni 2020 Behorend bij E.J. no. AUA201902316 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA BESCHIKKING in de zaak van: [Naam verzoekster], wonende in Aruba, verzoekster, hierna ook te noemen: [verzoekster], gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock, tegen: de naamloze vennootschap WRS INTERNATIONAL N.V., gevestigd in Aruba, verweerster, hierna ook te noemen: WRS, gemachtigde: de advocaat mr. J.A. Saade. 1DE PROCEDURE 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: -het verzoekschrift, met producties; -het verweerschrift, met één productie; -de mondelinge behandeling van de zaak ter terechtzitting van dinsdag 3 december 2020 om 10:30 uur; -de mondelinge uitlating van [verzoekster] ter rolzitting van 4 februari 2020 houdende de mededeling dat partijen geen minnelijke regeling hebben weten te bereiken. 1.2 [ verzoekster] is samen met haar gemachtigde ter zitting verschenen, en WRS is verschenen bij haar gemachtigde. [verzoekster] heeft gebruik gemaakt van de aan haar geboden gelegenheid om bij wijze van repliek te reageren op het verweerschrift, en dat mede aan de hand van een voorgedragen en overgelegde pleitnota. WRS heeft vervolgens gebruik gemaakt van de aan haar geboden gelegenheid om bij wijze van dupliek te reageren op het repliek van [verzoekster], en ook dat mede aan de hand van een voorgedragen en overgelegde pleitnota voorzien van toegelaten nadere producties. 1.3 Beschikking is nader bepaald op heden. 2DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN 2.1 [ Verzoekster] verzoekt dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking: a. voor recht verklaart dat [verzoekster] per 1 april 2019 aanspraak heeft op 43 vakantiedagen; b. WRS veroordeelt om aan [verzoekster] te betalen Afl. 13.809,11 aan achterstallig loon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging; c. WRS veroordeelt in de proceskosten. 2.2 WRS voert verweer en concludeert tot afwijzing van het door [verzoekster] verzochte, kosten rechtens. 2.3 Voorzover van belang voor de uitkomst van deze procedure worden de stellingen van partijen hierna besproken. 3DE BEOORDELING 3.1.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende bestreden alsmede op grond van overgelegde producties voor zover niet of onvoldoende bestreden staat onder meer het volgende vast tussen partijen. 3.1.2 WRS exploiteert een casino in Aruba. 3.1.3 [ Verzoekster] is op 18 maart 2011 krachtens een daartoe tussen partijen gesloten schriftelijke arbeidsovereenkomst (hierna: de arbeidsovereenkomst) bij WRS in dienst getreden in de functie van Bartender. In de arbeidsovereenkomst – waarin met “The Hotel” wordt bedoeld WRS en met “Associate” [Verzoekster] - staat onder meer het volgende vermeld: “(…). ‘Position and salary’ The Hotel engages the Associate to work as a Bartender and will be paid gross wages of Awg. 9,42 p/h (plus trunk/beverage charge that will be shared equally).”. 3.1.4 Medio november 2014 heeft WRS besloten om geen service charge meer in rekening te brengen aan haar klanten. Sindsdien mogen bartenders zoals [verzoekster] de door hen ontvangen fooien zelf behouden. [Verzoekster] krijgt sindsdien niet langer service charge/trunk uitbetaald van WRS. 3.1.5 Bij beschikking van dit Gerecht van 4 september 2018 in de door partijen gevoerde bodemprocedure met als zaaknummer E.J. AUA201702323 (hierna: de beschikking) heeft het Gerecht geoordeeld dat WRS niet eenzijdig de primaire arbeidsvoorwaarden van [verzoekster] mag wijzigen, in die zin dat WRS niet bevoegd is om de door [verzoekster] bedongen looncomponent service charge/trunk niet langer aan haar uit te keren. Het Gerecht oordeelde bij de beschikking verder dat WRS dat looncomponent moet blijven betalen aan [Verzoekster], waarvoor het gemiddelde van wat [verzoekster] in de periode van oktober 2013 tot oktober 2014 aan service charge/trunk had ontvangen in aanmerking genomen moet worden. De beschikking is in kracht van gewijsde gegaan. 3.1.6 In het schrijven van de voormalige personeelsmanager van WRS aan de huidige personeelsmanager van WRS van 10 oktober 2018 staat ter zake van service charge/trunk onder meer het volgende geschreven: “This benefit is also only applicable to be paid on regular worked hours; not applicable to be paid to employees during vacation or sick leave days.” 3.2 De in dit geschil te beantwoorden vraag is of WRS krachtens de arbeidsovereenkomst al dan niet gehouden is om aan [verzoekster] over de periode 10 juli 2014 tot 10 juli 2019 (datum indiening verzoekschrift minus de daaraan voorafgaande vijf jaren zoals door [verzoekster] in aanmerking genomen voor haar vorderingen) service charge/trunk te betalen gedurende haar vakanties en gedurende dagen dat [verzoekster] wegens ziekte niet kon werken. Dienaangaande wordt het volgende overwogen. 3.3 WRS stelt bij wijze van verweer dat [verzoekster] ter zake van de beweerdelijke tekortkoming van WRS om geen service charge/trunk aan haar te betalen gedurende vakanties en ziektedagen acht jaar te laat heeft geklaagd en daarom op de voet van artikel 6:89 BW geen beroep meer toekomt met betrekking tot die beweerdelijke gebrekkige prestatie. Zonder nadere doch ontbrekende uitleg is dat verweer in het licht van de hiervoor onder 3.1.5 vermelde beschikking onbegrijpelijk. Die beschikking, op grond waarvan is vast komen te staan tussen partijen dat service charge/trunk als onderdeel van het loon van [verzoekster] heeft te gelden en ook vanaf 1 oktober 2014 aan haar moet worden uitbetaald, dateert immers van 4 september 2018, terwijl het inleidend verzoekschrift in deze procedure is ingediend op 10 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.