Vonnis van 24 juni 2020 Behorend bij K.G. AUA202001168 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA VONNIS IN KORT GEDING in de zaak van: [naam eiser], wonende in Aruba, eiser, hierna ook te noemen: [eiser], gemachtigde: de advocaat mr. G. de Hoogd, tegen: [naam gedaagde], wonende in Aruba, gedaagde, hierna ook te noemen: [gedaagde], procederende in persoon. 1DE PROCEDURE 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit -het verzoekschrift, met producties; -de mondelinge behandeling van de zaak ter terechtzitting van donderdag 12 juni 2020 om 14:30 uur. 1.2 [ eiser] is samen met zijn gemachtigde ter zitting verschenen en [gedaagde] is verschenen in persoon. Partijen hebben over en weer het woord gevoerd, en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen. 1.3 Vonnis is bepaald op heden. 2DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN 2.1 [ eiser] heeft gesteld en gevorderd zoals omschreven in zijn verzoekschrift, met dien verstande dat [eiser] zijn vordering op grond van het bij partijen genoegzaam bekende boetebeding alsmede het onderdeel van zijn ontruimingsvordering dat ziet op machtiging om de gevraagde ontruiming zelf te mogen uitvoeren desnoods met behulp van de sterke arm ter zitting heeft ingetrokken. 2.2 [ gedaagde] heeft verweer gevoerd. 3DE BEOORDELING 3.1 Het spoedeisend belang van [eiser] zijn ontruimingsvordering ligt besloten in de aard van die vorderingen en de daaraan door hem ten gronde gelegde stellingen. Nu dit het geval is kan in redelijkheid en om proceseconomische reden niet van [eiser] worden gevergd om zijn vordering ter zake van betaling van door [gedaagde] erkende of niet betwiste achterstallige en/of nog te verschijnen huur ter beoordeling aan de bodemrechter voor te leggen. 3.2 Vast staat dat partijen een huurovereenkomst hebben gesloten krachtens welke [gedaagde] de aan [eiser] toebehorende woning gelegen in Aruba te [adres] (hierna ook: het gehuurde) voor de periode van 1 december 2018 tot en met 31 december 2019 heeft gehuurd tegen een maandelijkse huurprijs van Afl. 1.000,-- inclusief utiliteiten, en dat [gedaagde] na ommekomst van die periode in het genot is gebleven en gelaten van die woning. 3.3 Artikel 7A:1587 BW bepaalt dat een schriftelijke voor bepaalde tijd gesloten huur van rechtswege eindigt zodra die tijd is verstreken, zonder dat daartoe opzegging is vereist. Ingevolge artikel 7A:1589 BW kan de huurder, hoewel in het genot blijvende van het gehuurde, zich niet beroepen op stilzwijgende voortzetting van de huur indien de verhuurder de opzegging van de huur heeft laten betekenen voor ommekomst van de overeengekomen tijd van de huur. Krachtens artikel 7A:1590 BW ontstaat er een nieuwe huur waarvan de gevolgen geregeld worden bij de artikelen tot mondelinge huur betrekkelijk indien na het einde van een schriftelijke huurovereenkomst de huurder in het genot van het gehuurde is gebleven en gelaten. 3.4 Ter zitting heeft [eiser] verklaard dat hij geen opzegging van de huur heeft laten betekenen aan [gedaagde] voor ommekomst van de bij de huurovereenkomst bepaalde tijd, en dat hij met het Gerecht van oordeel is dat er in het licht van voormelde feitelijkheden en voormelde ter zitting aan [eiser] voorgehouden wettelijke bepalingen per 1 januari 2020 een nieuwe huurovereenkomst is ontstaan tussen partijen waarvan de gevolgen geregeld worden bij de artikelen tot mondelinge huur betrekkelijk. In dat verband is [eiser] verder met het Gerecht van oordeel dat niet gezegd kan worden dat [gedaagde] vanaf 1 januari 2020 zonder recht of titel in het gehuurde verblijft of dat onder zich heeft, zodat anders dan huur van vergoeding voor onrechtmatig verblijf in het gehuurde geen sprake kan zijn. 3.5 [ eiser] stelt dat [gedaagde] vanaf 1 oktober 2019 geen huur meer betaald, en aldus thans tot en met juni 2020 (9 x 1.000,-- =) Afl. 9.000,-- verschuldigd is aan [eiser]. [gedaagde] beroept zich te dezen op verrekening van met verbeteringen van het gehuurde gemoeid gaande door haar indirect gemaakte kosten. Dat beroep is niet alleen vaag en niet verificatoir onderbouwd, maar ook door [eiser] betwist in die zin dat volgens [eiser] partijen nooit enige verrekening van huur zijn overeengekomen. Aldus valt de gegrondheid van het verrekeningsberoep niet op eenvoudige wijze vast te stellen, zodat het op de voet van artikel 6:136 BW niet aan toewijzing van de vordering van [eiser] in de weg kan staan. Nu het verrekeningsberoep van [gedaagde] niet slaagt en zij overigens de stelling van [eiser] ter zake van achterstallige huur niet heeft bestreden, komt vast te staan dat [gedaagde] te dezen Afl. 9.000,-- opeisbaar verschuldigd is aan [eiser]. Nu in een bodemprocedure een gelijk oordeel valt te verwachten zal de vordering van [eiser] op dit onderdeel in dier voege worden toegewezen als na te melden, te vermeerderen met na juni 2020 verschenen huurtermijnen maandelijks ad Afl. 1.000,-- voor het geval dat [gedaagde] alsdan het gehuurde niet heeft ontruimd of heeft laten ontruimen. Wettelijke rente over die huurtermijnen zal, als zijnde niet bestreden, worden toegewezen als eveneens na te melden. 3.6 De mate en omvang van voormelde wanprestatie van [gedaagde] brengt met zich dat in een bodemprocedure verder het oordeel valt te verwachten dat de huurovereenkomst zal worden ontbonden en dat de [gedaagde] het gehuurde zal moeten ontruimen. De ontruimingsvordering van [eiser] zal daarom worden toegewezen als na te melden. 3.7 Afweging van de belangen van partijen maakt al het vorenstaande niet anders, nu het Gerecht geen zwaarwegender belangen ziet zijdens [gedaagde] bij afwijzing van het door [eiser] verzochte ten opzichte van de belangen van [eiser] bij toewijzing daarvan, behoudens het navolgende. De titel tot ontruiming van het gehuurde mag niet ten uitvoer worden gelegd indien en voorzover er van overheidswege in het kader van de volksgezondheid noodvrijheidsbeperkende maatregelen gelden in de zin van ‘shelter in place’ en/of een avondklok (‘toque de keda’). Het Gerecht zal aldus bepalen. 3.8 [ gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [eiser], tot aan deze uitspraak begroot op (450,- + 225,-- + 220,21 =) Afl. 895,21 aan verschotten (griffiegeld en kosten van oproepingen) en Afl. 1.500,-- aan salaris voor de gemachtigde. 3.9 Ten overvloede wordt nog overwogen dat het op de weg van [eiser] ligt om de huurovereenkomst tussen partijen op grond van voormelde wanprestatie buiten rechte te ontbinden middels een schriftelijke aan [gedaagde] te richten verklaring daartoe. 4DE BESLISSING Het Gerecht, rechtdoende in kort geding: -beveelt [gedaagde] om binnen twee
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.