Vonnis van 1 juli 2020 Behorend bij A.R. nr. AUA201901155 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA VONNIS in de zaak van: [EISER], in zijn hoedanigheid van executeur testamentair van de nalatenschap van [naam overledene], te Aruba, eiser, hierna ook te noemen: [Eiser], gemachtigde: de advocaat mr. W.J. Noordhuizen, tegen: 1[GEDAAGDE 1], wonende in Aruba, gedaagde, hierna ook te noemen: [Gedaagde 1], gemachtigde: mr. P.M.E. Mohamed, 2. [GEDAAGDE 2], wonende in Nederland, gedaagde, hierna ook te noemen: [Gedaagde 2], gemachtigde: mr. E.H.J. Martis, 3. [GEDAAGDE 3], wonende in Aruba, gedaagde, hierna ook te noemen: [Gedaagde 3], gemachtigde: mr. G. de Hoogd, 4. [GEDAAGDE 4], wonende in Aruba, gedaagde, hierna ook te noemen: [Gedaagde 4], gemachtigde: mr. G. de Hoogd, 5. [GEDAAGDE 5], wonende in Aruba, gedaagde, hierna ook te noemen: [Gedaagde 5], gemachtigde: mr. G. de Hoogd, 6. [GEDAAGDE 6], wonende in Aruba, gedaagde, hierna ook te noemen: [Gedaagde 6], gemachtigde: mr. L.D. Gomez, 7[GEDAAGDE 7], wonende in de Verenigde Staten van Amerika, gedaagde, hierna ook te noemen: [Gedaagde 7], gemachtigde: mr. E.H.J. Martis, 8. de vennootschap naar Zwitsers recht EDMOND DE ROTHSCHILD (SUISSE) S.A., gevestigd in Zwitserland, te 1204 Genève, Rue de Hesse 18, gedaagde, hierna ook te noemen: de Bank, niet verschenen. 1DE PROCEDURE 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met producties, ingediend op 10 april 2019, - de wederoproeping van 18 september 2019 van de bank om op de zitting van 11 december 2019 te verschijnen, - de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties van [gedaagde 1], ingediend op 13 november 2019, - de aantekening van de griffier ter rolle van 13 november 2019, waaruit blijkt dat [gedaagde 2], [gedaagde 3], [gedaagde 4], [gedaagde 5] en [gedaagde 7] de vordering hebben erkend, - de aantekening van de griffier ter rolle van 11 december 2019, waaruit blijkt dat [gedaagde 6] zich refereert naar het oordeel van het gerecht, - de e-mail d.d. 5 maart 2020 van (de gemachtigde van) [eiser] aan de rolrechter. 1.2 Vonnis is nader bepaald op heden. 2DE BEOORDELING 2.1 Het gerecht constateert dat de Bank bij oproepingsexploot van 26 april 2019 door de deurwaarder is opgeroepen overeenkomstig artikel 5 aanhef en onder 8 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv.) om op 21 augustus 2019 om 8:30 uur ter terechtzitting van het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba te verschijnen. Overeenkomstig artikel 5 aanhef en onder 8 Rv. is het verzoekschrift aan de directeur van de Directie Wetgeving en Juridische Zaken (hierna: DWJZ) betekend. De directeur van de DWJZ heeft overeenkomstig artikel 5 aanhef en onder 8 Rv. het oproepingsexploot voor gezien ondertekend en het verzoekschrift op 3 mei 2019 per aangetekende post opgestuurd naar het bekend adres van de Bank in Zwitserland. 2.2 De Bank is niet in de procedure verschenen. Ingevolge artikel 82 lid 1 Rv. is de Bank nogmaals bij oproepingsexploot van 3 oktober 2019 opgeroepen om op 11 december 2019 om 8:30 uur ter terechtzitting van het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba te verschijnen. Ook deze oproeping is overeenkomstig artikel 5 aanhef en onder 8 Rv. door de directeur van de DWJZ voor gezien ondertekend. Vervolgens is het verzoekschrift op 7 oktober 2019 door de DWJZ per aangetekende post opgestuurd naar het bekende adres van de Bank in Zwitserland. De Bank is ook na deze wederoproeping niet in de procedure verschenen. 2.3 Naar het oordeel van het gerecht is niet gebleken dat kennisgeving van het oproepingsexploot van het verzoekschrift aan de Bank overeenkomstig het Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken van 15 november 1965 (hierna: het Haags Betekeningsverdrag), waarbij zowel Aruba als Zwitserland partij zijn, heeft plaatsgevonden. Zwitserland heeft overeenkomstig artikel 21 lid 2, aanhef en onder a, van het Haags Betekeningsverdrag verklaard zich te verzetten tegen de wijzen van kennisgeving bedoeld in artikel 8 en 10 van het Haags Betekeningsverdrag, waaronder kennisgeving over de post (artikel 10 aanhef en onder a). Toezending per aangetekende post van een afschrift van het verzoekschrift door de DWJZ aan de Bank kan dus niet gelden als een kennisgeving overeenkomstig het Haags Betekeningsverdrag (vgl. HR 11 juli 2003, LJN AF7674, NJ 2005/311). 2.4 Artikel 15 van het Haags Betekeningsverdrag, in de Nederlandse vertaling, luidt: Wanneer een stuk dat het geding inleidt of een daarmede gelijk te stellen stuk ter betekening of kennisgeving overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag, naar het buitenland moest worden gezonden en de verweerder niet is verschenen, houdt de rechter de beslissing aan totdat is gebleken dat:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.