← Nederland

ECLI:NL:OGEAA:2020:478

Vonnis van 4 november 2020 Behorend bij A.R.B.B. nr. AUA201904416 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA VONNIS in de zaak van: de naamloze vennootschap N.V. ELMAR, gevestigd te Aruba, EISERES, hierna ook te noemen: Elmar, gemachtigde: de advocaat mr. A.I.N. Frӓser, tegen: [gedaagde], wonende te [adres] in Aruba, GEDAAGDE, hierna ook te noemen: [gedaagde], procederende in persoon.

  1. DE PROCEDURE 1.1 Het verloop van de procedure tot 26 augustus 2020 blijkt uit het tussenvonnis van dit Gerecht van die datum. De bij dat vonnis gelaste comparitie van partijen na antwoord heeft plaatsgevonden op 21 september
  2. Elmar is toen verschenen bij haar gemachtigde, die werd vergezeld door dhr. [collection supervisor] (Collection Supervisor bij Elmar). [gedaagde] is in persoon ter zitting verschenen. Partijen hebben over en weer het woord gevoerd, en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen. 1.2 Na afloop van de terechtzitting zijn partijen in onderhandeling getreden om onderling tot een regeling te komen. Partijen hebben het Gerecht echter te kennen gegeven ([gedaagde] bij schrijven van 29 september 2020 en Elmar bij schrijven van 1 oktober 2020), dat een regeling niet tot stand is gekomen. Elmar heeft daarbij om vonnis gevraagd. Al het overige dan voormelde mededeling in het schrijven van [gedaagde] blijft buiten beschouwing, nu naprocederen niet mogelijk is. 1.3 Vonnis is bepaald op heden. 2DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN 2.1 Elmar vordert dat het Gerecht bij vonnis uitvoer bij voorraad [gedaagde] veroordeelt om aan Elmar te betalen Afl. 8.262,84, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 11 juli 2018, kosten rechtens. 2.2 [ gedaagde] voert verweer dat strekt tot afwijzing van het door Elmar verzochte. 2.3 Voorzover van belang voor de uitspraak worden de stellingen van partijen hierna verder besproken. 3DE VERDERE BEOORDELING 3.1 Het Gerecht volhardt in zijn in het tussenvonnis neergelegde overwegingen en beslissingen. 3.2 Onder verwijzing naar rechtsoverweging 2.6 van het tussenvonnis zal [gedaagde] ten titel van nakoming worden veroordeeld om in hoofdsom Afl. 8.262,84 te betalen aan Elmar aan onbetaald gelaten stroomverbruik. De over dat bedrag gevorderde wettelijke rente en de ingangsdatum daarvan zullen - als zijnde onbestreden – eveneens worden toegewezen. 3.3 De kwestie als vermeld onder 2.7 van het tussenvonnis ter zake van wel of niet door [gedaagde] ontvangen aanmaningen kan verder onbesproken blijven, omdat Elmar geen vergoeding voor buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft verzocht. 3.4 [ gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van het Elmar, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 100,-- aan verschotten en Afl. 1.000,-- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten van liquidatietarief 3, ad Afl. 500,-- per punt). 4DE UITSPRAAK Het Gerecht: -veroordeelt [gedaagde] om aan Elmar te betalen Afl. 8.262,84, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 11 juli 2018 tot aan de algehele voldoening; -veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van Elmar, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 100,-- aan verschotten en Afl. 1.000,-- aan salaris voor de gemachtigde; -verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 4 november 2020 in aanwezigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.