Uitspraak van 5 februari 2020 LTU AUA202000312 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA BESCHIKKING van de rechter-commissaris belast met de behandeling van administratiefrechtelijke inbewaringstelling, op het verzoek van: [Verzoeker], van Venezolaanse nationaliteit, VERZOEKER, gemachtigde: M.L. Hassell PROCESVERLOOP Bij bevelschrift van 25 september 2019 heeft de minister van Justitie, Veiligheid en Integratie (minister) de inbewaringstelling van verzoeker bevolen. De rechter-commissaris heeft geoordeeld dat deze vrijheidsontneming rechtmatig is. Op 31 januari 2020 heeft verzoeker bij dit gerecht een verzoekschrift ex artikel 16, derde lid, van de Landsverordening toelating en uitzetting (Ltu) ingediend. Het verzoek is behandeld ter zitting van 5 februari
- Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M. Harewood (DIMAS). De uitspraak is terstond gedaan. BEOORDELING
- Ingevolge artikel 16, derde lid, van de Ltu wordt de betrokkene binnen 72 uur betrokkene voor een rechter-commissaris geleid, die de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming toetst. Een bevel tot inbewaringstelling kan door de rechter-commissaris te allen tijde op verzoek van de betrokkene worden opgeheven.
- Het oordeel van de rechter-commissaris dat de inbewaringstelling rechtmatig is, is een in rechte onaantastbaar oordeel en is daarom in deze procedure niet meer in geding. Uitsluitend ligt ter beoordeling voor of bij afweging van de betrokken belangen het voortduren van de bewaring rechtmatig is. In het bijzonder is daarbij van belang of er, mede gezien de duur van de bewaring, nog zicht is op uitzetting van de betrokkene en of er voldoende wordt ondernomen om de uitzetting te bewerkstelligen.
- Bij beschikking van 23 december 2019 is de asielaanvraag van verzoeker afgewezen.
- Verzoeker heeft op 29 januari 2020 bezwaar gemaakt tegen deze afwijzende beschikking. Op dezelfde datum heeft verzoeker bij het Gerecht verzocht om een voorlopige voorziening inhoudende een schorsing van de afwijzende beschikking.
- Op verzoek van verzoeker is de behandeling van de voorlopige voorziening niet ter zitting behandeld op 5 februari 2020, maar is dit uitgesteld tot 12 februari
- De rechter-commissaris overweegt dat het bezwaar of het verzoek om een voorlopige voorziening niet de werking van de afwijzende asielbeschikking schorst (artikel 9, lid 4, LAR), zodat verzoeker uitgezet kan worden. Als gevolg van de voorlopigevoorzieningprocedure is uitzetting tijdelijk niet aan de orde, maar dit staat op zichzelf niet in de weg aan de rechtmatigheid van de bewaring. Weliswaar brengt de voorlopigevoorzieningprocedure enig uitstel met zich, maar dit ontneemt niet het uitzicht op uitzetting. Voor het oordeel dat niet binnen afzienbare tijd in de voorlopigevoorzieningprocedure zal worden beslist, bestaan immers geen aanknopingspunten.
- De rechter-commissaris komt tot de slotsom dat het voortduren van de bewaring niet onrechtmatig is. BESLISSING De rechter-commissaris: - wijst het verzoek af. Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.H. van Suilen, rechter-commissaris, op 5 februari 2020, in tegenwoordigheid van de griffier.