Beschikking van 30 maart 2021 behorend bij EJ AUA202100147 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA BESCHIKKING op vordering van HET OPENBAAR MINISTERIE, in Aruba, vertegenwoordigd door de officier van justitie, om bekrachtiging van de voorlopige toevertrouwing aan de voogdijraad van de minderjarige: [naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] in Nederland, van wie de voogdes is: [naam grootmoeder], grootmoeder moederszijde, wonende in Aruba. 1DE PROCEDURE De procedure blijkt uit: - de vordering ingediend op 20 januari 2021, - de mondelinge behandeling ter zitting van 16 februari 2021, alwaar zijn verschenen de officier van justitie, mr. [naam officier], de vertegenwoordigers van de Voogdijraad, mr. [naam raadsonderzoeker 1] en mevrouw [naam raadsonderzoeker 2], en de voogdes van de minderjarige in persoon. De 2DE FEITEN 2.1 Ten aanzien van de minderjarige staat alleen het moederschap vast. Na het overlijden van de moeder is de grootmoeder moederszijde bij beschikking van dit gerecht van 26 januari 2015 met de voogdij over de minderjarige belast. 2.2 Op 13 januari 2021 heeft het openbaar ministerie de aan de voogdij van grootmoeder moederszijde (hierna: de voogdes) onttrokken en voorlopig aan de Voogdijraad toevertrouwd. 3DE BEOORDELING 3.1 Ingevolge artikel 1:332 van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (BW) kan op grond van feiten die tot ontzetting van de voogdij kunnen leiden het openbaar ministerie, indien het dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, het kind aan het gezag van de voogd onttrekken en voorlopig aan de Voogdijraad toevertrouwen. Artikel 1:272, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. 3.2 Ingevolge artikel 1:272 lid 2 BW vervalt de toevertrouwing indien het openbaar ministerie niet binnen veertien dagen van de rechter haar bekrachtiging heeft gevorderd. 3.3 De bekrachtiging is tijdig gevorderd, zodat de toevertrouwing van 13 januari 2021 nog van kracht is. 3.4 Voor zover hier van belang bepaalt artikel 1:327 lid 1 BW dat de rechter, indien hij het in het belang van het kind noodzakelijk oordeelt, een voogd ten aanzien van een of meer tot een zelfde voogdij behorende minderjarigen ontzet, op grond van verwaarlozing van zijn verplichtingen of de omstandigheid dat hij niet in staat is tot een behoorlijke uitoefening van zijn voogdij. 3.5 Het gerecht is, gelet op het verhandelde ter zitting en het rapport van de Voogdijraad, van oordeel dat de door de wet aangegeven gronden voor de voorlopige toevertrouwing aannemelijk zijn geworden en dat het in het belang van de minderjarige is dat voorlopig het gezag over haar feitelijk door de Voogdijraad wordt uitgeoefend en dat de voogdes voorlopig geheel in de uitoefening van het gezag over haar wordt geschorst. 3.6 Het gerecht acht termen aanwezig om de duur van de toevertrouwing van de minderjarige aan de Voogdijraad te bepalen op zes maanden. 3.7 Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 4DE BESLISSING Het gerecht: schorst de voogdes uit het gezag welke heeft over de : [naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] in Nederland, vertrouwt de voorlopig toe aan de Voogdijraad, bepaalt dat deze toevertrouwing van kracht zal blijven voor de duur van zes maanden, verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven op 30 maart 2021 door mr. E.M.D. Angela, rechter in dit gerecht, in tegenwoordigheid van de griffier.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.