Uitspraak van 22 februari 2021 Lar nr. AUA202000684 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA UITSPRAAK op het beroep in de zin van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van: [Appellante], verblijvend te Aruba, APPELLANTE, gemachtigde: drs. M.L. Hassell gericht tegen: DE MINISTER VAN JUSTITIE, VEILIGHEID, EN INTEGRATIE, zetelend in Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: J.M. Harewood (Dimas). PROCESVERLOOP Bij bevelschrift van 9 oktober 2019 heeft verweerder de uitzetting van appellante bevolen en haar een periode van niet toelating van zesendertig
(36)maanden opgelegd. Hiertegen heeft appellante op 24 oktober 2019 bezwaar gemaakt, door verzending van het bezwaarschrift met onderwerp “bezwaarschrift inzake terugkeerverbod” naar het faxnummer
- Tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar heeft appellante op 28 februari 2020 beroep ingesteld bij dit gerecht. Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 oktober
- Partijen zijn verschenen bij hun gemachtigden. De uitspraak is bepaald op heden. OVERWEGINGEN Het wettelijk kader 1.1 Ingevolge artikel 9, eerste lid van de Lar, kan degene die door een beschikking rechtstreeks in zijn belang is getroffen, het bestuursorgaan verzoeken de beschikking in heroverweging te nemen, tenzij deze op bezwaar is genomen. 1.2 Op grond van artikel 10 van de Lar wordt een verzoek (tot heroverweging) aanhangig gemaakt door indiening van een bezwaarschrift bij het bestuursorgaan dat de beschikking heeft gegeven of, indien de beschikking zulks vermeldt, bij de daarbij aangegeven dienst of instelling. 1.3 Artikel 13 van de Lar luidt als volgt:
- Het bezwaarschrift bevat ten minste: a. de naam en het adres van de indiener en, indien het bezwaarschrift namens deze door een gemachtigde wordt ingediend, de naam en het adres van de gemachtigde; b. een aanduiding van de beschikking waartegen het bezwaar zich richt, indien mogelijk onder overlegging van een afschrift daarvan; c. de gronden waarop het bezwaar berust; d. de dagtekening van het bezwaarschrift, en e. een ondertekening door of namens de indiener.
- Geschiedt de indiening door een gemachtigde die niet als advocaat is ingeschreven bij het Hof, dan wordt tevens de machtiging overgelegd. 1.4 Ingevolge artikel 14, eerste lid van de Lar, wordt, indien niet is voldaan aan enig bij wettelijk voorschrift gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaarschrift, de indiener door of namens het bestuursorgaan binnen twee weken na de ontvangst van het bezwaarschrift in de gelegenheid gesteld het verzuim binnen een bepaalde termijn te herstellen. 1.5 Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Lar kan degene die rechtstreeks in zijn belang is getroffen door een op een bezwaarschrift genomen beslissing als bedoeld in de artikelen 12, eerste lid, 14, tweede lid, of 20, daartegen beroep instellen bij het Gerecht. De ontvankelijkheid 2.1 Uit de door appellant overgelegde stukken is niet gebleken dat hij bij zijn bezwaarschrift tevens een machtiging heeft overgelegd als bedoeld in artikel 13, tweede lid van de Lar. Gelet hierop en nu namens verweerder ter zitting niet is betoogd dat het bezwaarschrift niet is ontvangen, had verweerder met toepassing van artikel 14 van de Lar hem in de gelegenheid moeten stellen het verzuim binnen een bepaalde termijn te herstellen. 2.2 Nu verweerder dit (nog) niet heeft gedaan, kan niet aangenomen worden dat reeds sprake is van het uitblijven van een beslissing op bezwaar als bedoeld in artikel 20 van de Lar, waartegen beroep open staat. 2.3 Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellant niet-ontvankelijk is, nu ten tijde van het indienen ervan, nog geen sprake was van het uitblijven van een beslissing op bezwaar. Appellant had op dat moment immers nog niet voldaan aan enig bij wettelijk voorschrift gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaarschrift, als bedoeld in artikel 14 van de Lar. BESLISSING De rechter in dit gerecht: verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze beslissing is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, en wordt geacht te zijn uitgesproken ter openbare terechtzitting op maandag, 22 februari 2020, in aanwezigheid van de griffier. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (LAR-zaken). Het beroepschrift moet worden ingediend bij de griffie van dit Gerecht. U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
- Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
- Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende: a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde, b. de dag van ondertekening, c. waartegen u in hoger beroep komt, d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep). Voor het instellen van hoger beroep is een griffierecht van Afl. 75 verschuldigd.