Uitspraak van 12 mei 2021 Lar nr. AUA202100796 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA UITSPRAAK op het verzoek in de zin van artikel 54 van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van: [Verzoeker], wonend in Aruba, VERZOEKER, gemachtigden: de advocaten mrs. A.F. Kuster en A.I.N. Fraser, gericht tegen: DE MINISTER VAN JUSTITIE, VEILIGHEID EN INTEGRATIE, zetelend te Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: J. Harewood (DIMAS). PROCESVERLOOP Bij bevelschrift van 7 januari 2021 heeft verweerder de uitzetting van verzoeker bevolen. Tegen deze beschikking heeft verzoeker op 16 maart 2021 bezwaar gemaakt. Op 24 maart 2021 heeft verzoeker het gerecht verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker heeft nadere stukken ingediend. Het gerecht heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 april 2021, waar zijn verschenen verzoeker bijgestaan door mr. A.I.N. Fraser, en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd. De uitspraak is bepaald op heden. OVERWEGINGEN Het wettelijk kader 1.1 Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Lar, kan, indien krachtens deze landsverordening een bezwaar- of beroepschrift aanhangig is, de indiener daarvan aan het gerecht verzoeken om de bestreden beschikking onderscheidenlijk beslissing op het bezwaarschrift te schorsen op grond, dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang. Ingevolge het tweede lid kan ter voorkoming van nadeel als bedoeld in het eerste lid, op het verzoek van de indiener ook een voorlopige voorziening worden getroffen. 1.2 Ingevolge artikel 11, eerste lid, bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken en gaat deze termijn in op de dag na die waarop de beschikking is gedagtekend. 1.3 Ingevolge artikel 12, derde lid, blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege, indien de indiener aannemelijk maakt dat hij het geschrift heeft ingediend, zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden en het tegendeel daarvan niet blijkt. De feiten 2.1 Verzoeker is op 17 augustus 2019 Aruba binnengekomen als toerist met een toegestane verblijfsduur van vier dagen. 2.2 Bij onderscheiden bevelschriften van 7 januari 2021 heeft verweerder de uitzetting en de bewaring van verzoeker bevolen. 2.3 Bij beschikking van 8 januari 2021 heeft de rechter-commissaris de bewaring van verzoekster rechtmatig geacht. 2.3 Op 14 januari 2021 heeft verzoeker een asielaanvraag ingediend. 2.4 Bij beschikking van 16 februari 2021 heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker afgewezen. Daartegen heeft verzoeker bezwaar gemaakt. 2.5 Op 16 maart 2021 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen het hiervoor onder 2.2 vermeld uitzettingsbevel. De standpunten van partijen 3.1 Aan het bevel tot uitzetting heeft verweerder ten grondslag gelegd dat verzoeker niet in het bezit is van een geldige verblijfstitel, dat zijn illegaal verblijf in Aruba niet behoeft te worden gedoogd, en dat er geen grond is om hem nog langer illegaal in Aruba te laten blijven daar het Land er groot belang bij heeft dat het vreemdelingenrecht ook daadwerkelijk wordt gehandhaafd. 3.2 Het verzoek strekt tot schorsing van het bevelschrift tot uitzetting van 7 januari 2021 totdat op het daartegen gemaakte bezwaar is beslist. Aan dit verzoek legt verzoeker ten grondslag dat hij het risico loopt na uitzetting onmenselijk behandeld te worden in Venezuela. De beoordeling
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.