Uitspraak van 31 maart 2021 Lar nr. AUA202100427 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA UITSPRAAK op het verzoek in de zin van artikel 54 van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van: [Verzoeker], van Venezolaanse nationaliteit, VERZOEKER, gemachtigde: drs. M.L. Hassell, gericht tegen: DE MINISTER VAN JUSTITIE, VEILIGHEID EN INTEGRATIE, zetelend in Aruba, VERWEERDER, niet verschenen. PROCESVERLOOP Bij beschikking van 12 februari 2021 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker, om een vergunning tot tijdelijk verblijf om alhier werkzaam te zijn en te verblijven, afgewezen. Tegen deze beschikking (hierna: de bestreden beschikking) heeft verzoeker op 13 februari 2021 bezwaar gemaakt, door indiening van een bezwaarschrift via fax. Op 16 februari 2021 heeft verzoeker bij dit gerecht een verzoek als bedoeld in artikel 54 van de Lar ingediend. Het verzoek is behandeld ter zitting van 17 maart 2021, waar verzoeker (via videoverbinding) is verschenen bijgestaan door zijn voornoemde gemachtigde. Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend en is, ondanks de behoorlijke oproeping daartoe, niet verschenen. De uitspraak is bepaald op heden. OVERWEGINGEN Het formele wettelijk kader 1.1 Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Lar, kan, indien krachtens deze landsverordening een bezwaar- of beroepschrift aanhangig is, de indiener daarvan aan het gerecht verzoeken om de bestreden beschikking onderscheidenlijk beslissing op het bezwaarschrift te schorsen op grond, dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang. Ingevolge het tweede lid kan ter voorkoming van nadeel als bedoeld in het eerste lid, op het verzoek van de indiener ook een voorlopige voorziening worden getroffen. 1.2 Voor zover de toetsing aan het in artikel 54 van de Lar neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in de bodemprocedure. De standpunten van partijen 2.1 Verweerder heeft aan de bestreden beschikking ten grondslag gelegd dat verzoeker niet heeft voldaan aan de administratieve vereisten om in aanmerking te komen voor een vergunning, nu gebleken is dat hij illegaal in Aruba verblijft, en jegens hem een uitzettingsbevel met een periode van niet-toelating van 48 maanden is uitgevaardigd. 2.2 Het onderhavige verzoek strekt tot het treffen van een voorlopige voorziening, in die zin dat verzoeker wordt behandeld als ware hij in het bezit van een geldige vergunning tot tijdelijk verblijf, totdat is beslist op zijn bezwaar gericht tegen de bestreden beschikking. Aan dat verzoek heeft verzoeker -samengevat- ten grondslag gelegd dat hij als vertrouwenspersoon van een investeerder dient te worden aangemerkt en dat verweerder gelet daarop niet zonder meer zijn vergunningsaanvraag had mogen afwijzen. Het geschil 3.1 Ter beantwoording ligt voor de vraag of de onmiddellijke uitvoering van de bestreden beschikking voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang, en dat ter voorkoming van zulks nadeel een voorlopige voorziening dient te worden getroffen. 3.2 Beoordeeld dient dan te worden of er een aanmerkelijke kans bestaat dat de bestreden beschikking in bezwaar niet in stand zal blijven. Het gerecht acht in dit geval deze aanmerkelijke kans op succes voor verzoeker niet aanwezig en overweegt daartoe als volgt. Het materiële wettelijk kader 4.1 Ingevolge artikel 6, eerste lid van de Landsverordening toelating en uitzetting (Ltu), wordt, behalve in de artikelen 1 en 3 vermelde personen, niemand in Aruba toegelaten zonder een vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf. 4.2 Ingevolge artikel 7, eerste lid van de Ltu wordt een vergunning tot tijdelijk verblijf verleend door of namens de Minister, voor een duur van ten hoogste een jaar. Ingevolge het tweede lid wordt de vergunning aangevraagd door de persoon die om toelating verzoekt of door zijn wettelijke vertegenwoordiger. Het verzoek wordt gedaan op een kosteloos van overheidswege verstrekt formulier. 4.3 Voor zover hier van belang, bepaalt artikel 9, eerste lid van de Ltu dat een verzoek om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf door of namens de minister, belast met vreemdelingenzaken, kan worden geweigerd: a. in verband met de openbare orde of het algemeen belang, waartoe ook de bescherming van de volksgezondheid en de arbeidsmarkt wordt gerekend te behoren; b. (…); c. indien de betrokkene is uitgezet of verwijderd en de in het desbetreffende bevel genoemde termijn van het verbod tot toelating tot Aruba nog niet verstreken is; d. indien de betrokkene tijdens een vorig verblijf in Aruba de periode waarvoor men toegelaten was, heeft overschreden. De feiten 5.1 Aan verzoeker, geboren op 13 oktober 1988 in Venezuela, is laatstelijk op zijn vierde aanvraag, een vergunning verleend om als ‘kitchen attendant’ werkzaam te zijn bij de werkgever, [de werkgever]. Deze vergunning was geldig tot 14 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.