Vonnis van 2 juni 2021 Behorend bij A.R. no. AUA201903045 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA VONNIS in de zaak van: [eiseres], wonende in Aruba, eiseres, hierna ook te noemen: [eiseres], kosteloos procederend conform het vonnis van 23 oktober 2019, gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock, tegen: [gedaagde], wonende in Aruba, gedaagde, hierna ook te noemen: [gedaagde], procederend in persoon. 1HET PROCESVERLOOP 1.1 Het verloop van de procedure tot en met 19 februari 2020 blijkt uit het tussenvonnis van dit Gerecht van die datum. Het Gerecht heeft bij dat vonnis de heer [deskundige] als deskundige benoemd om met betrekking tot het onroerend goed gelegen in Aruba te [adres] en het daarop gebouwde een taxatierapport op te stellen ter zake van de actuele vrije marktwaarde daarvan. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: het taxatierapport ingediend op 8 maart 2021; de comparitie van partijen die heeft plaatsgevonden op 16 april 2021, in aanwezigheid van [eiseres] bij haar gemachtigde en [gedaagde] in persoon. 1.2 De datum voor vonnis is bepaald op heden. 2DE VERDERE BEOORDELING 2.1 Het Gerecht volhardt in zijn in de tussenvonnissen neergelegde overwegingen en beslissingen. 2.2 Onder verwijzing naar rechtsoverweging 2.6 van het tussenvonnis van 23 oktober 2019 wordt ter zake van de in de woning bevindende inboedel het volgende nader overwogen. Het Gerecht heeft ter comparitie van 25 november 2019 de verdeling en de waardering van de inboedel met partijen besproken. Met instemming van partijen is die waarde nader vastgesteld op Afl. 5.250,--, en is afgesproken dat de inboedel wordt toebedeeld aan [gedaagde] met veroordeling van [gedaagde] om ten titel van overbedeling aan [eiseres] te betalen (Afl. 5.250,--: 2=) Afl. 2.625,--. In het licht van dit alles komt het Gerecht terug van zijn in het tussenvonnis van 3 oktober 2019 onder rechtsoverweging 2.6 neergelegde oordeel dat de inboedel een waarde heeft van Afl. 35.000,--. 2.3 Voor wat betreft de door [eiseres] gevorderde vergoeding voor het gebruik door [gedaagde] van het onroerend goed/de woning overweegt het Gerecht als volgt. Niet in geschil is tussen partijen dat [gedaagde] vanaf 12 januari 2015 alleen in de woning verblijft. [gedaagde] is daarom een gebruiksvergoeding verschuldigd aan [eiseres], op jaarbasis gelijk aan de helft van 5% van de gemiddelde vrije marktwaarde van de woning over de periode van 12 januari 2015 tot heden, oftewel (2.5% van Afl. 135.000,-- =) Afl. 3.375,--, oftewel per maand (Afl. 3.375,--: 12 =) Afl. 281,25. Aldus is [gedaagde] in totaal (76 x Afl. 281,25 =) Afl. 21.375,-- aan [eiseres] verschuldigd uit hoofde van vergoeding voor het gebruik van het aandeel van [eiseres] in de woning tot 12 juni 2021, te vermeerderen met Afl. 281,25 voor iedere na 12 juni 2021 gelegen maand dat [gedaagde] met uitsluiting van [eiseres] gebruik maakt van de woning. 2.4 Onder verwijzing naar rechtsoverweging 3.7 van het tussenvonnis van 16 februari 2020 wordt ter zake van de actuele stand van de op de woning rustende hypothecaire schuld het volgende verder overwogen. Ter zitting heeft (de gemachtigde van) [eiseres] een brief van het notariskantoor [notaris] van 19 februari 2021 overgelegd, waaruit blijkt dat de actuele hypothecaire schuld op de woning het bedrag van Afl. 86.976,81 bedraagt. Dit bedrag is door [gedaagde] niet betwist en komt daarom vast te staan. Verder heeft [gedaagde] ter zitting verklaard na bedoelde datum niets meer te hebben afgelost van die schuld, zodat [eiseres] in dat verband niets verschuldigd is aan [gedaagde]. 2.5 Resumerend geldt wat betreft over en weer tussen partijen verschuldigde bedragen het volgende: - [ eiseres] is aan [gedaagde] verschuldigd de helft van hetgeen [gedaagde] na 11 februari 2015 heeft betaald aan de op zijn naam staande (eventuele) belastingschuld die ziet op de periode van voor die datum. - [ gedaagde] is aan [eiseres] verschuldigd (Afl. 2.625,-- + Afl. 21.375,-- =) Afl. 24.000,--, te vermeerderen met Afl. 281,25 voor iedere na 12 juni 2021 gelegen maand dat [gedaagde] met uitsluiting van [eiseres] gebruik maakt van de woning. Partijen dienen aan elkaar te betalen hetgeen zij aan elkaar verschuldigd zijn door middel van verrekening met het aan ieder van hen toekomend deel van de netto opbrengst van de hierna te bespreken verkoop van de woning. 2.6 Onder verwijzing naar rechtsoverweging 3.6 van het tussenvonnis van 16 februari 2020 wordt met betrekking tot de (echtelijke) woning het volgende verder overwogen. [gedaagde] heeft ter zitting verklaard de woning niet te willen kopen, terwijl niet is gebleken dat [eiseres] in staat is om [gedaagde] uit te kopen. De woning moet daarom worden verkocht, waarna de netto-opbrengst (de verkoopprijs verminderd met de kosten aan de verkoop verbonden en de alsdan bestaande hypothecaire schuld) bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld. Omtrent de wijze van verkoop geldt het volgende. 2.7 Uit het door de deskundige ingediende taxatierapport blijkt dat de woning een executiewaarde heeft van Afl. 108.000,--. Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat dit bedrag als bodemprijs dient te worden vastgesteld en dat de woning aan een derde moet worden verkocht indien dat bedrag (of meer dan dat) wordt geboden. Verder zijn partijen overeengekomen dat de woning te koop wordt aangeboden via makelaarskantoor “Solito Real Estate” en dat indien die makelaar of partijen na ommekomst van de termijn van drie
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.