Uitspraak van 3 februari 2021 Lar nr. AUA202003343 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA UITSPRAAK op het verzoek in de zin van artikel 54 van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van: [Verzoeker], wonend in Aruba, VERZOEKER, procederend in persoon, gericht tegen: DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN ARBEID, zetelend te Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: mr. C.L. Geerman (DWJZ). PROCESVERLOOP Verzoeker heeft bij (online)verzoeken van 18 juli 2020, 8 augustus 2020, 10 oktober 2020, 9 november 2020 en 1 december 2020 een aanvraag gedaan om in aanmerking te komen voor financiële hulp van het sociale noodfonds FASE. Tegen het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag heeft verzoeker op 1 december 2020 bezwaar gemaakt bij verweerder. Op 2 december 2020 heeft verzoeker het gerecht verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het gerecht heeft het verzoek ter zitting behandeld op 20 januari 2021, alwaar zijn verschenen verzoeker in persoon, en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd. De uitspraak is bepaald op heden. OVERWEGINGEN 1.1 Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Lar, kan, indien krachtens deze landsverordening een bezwaar- of beroepschrift aanhangig is, de indiener daarvan aan het gerecht verzoeken om de bestreden beschikking onderscheidenlijk beslissing op het bezwaarschrift te schorsen op grond, dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang. 1.2 Ingevolge het tweede lid van genoemd artikel kan ter voorkoming van nadeel als bedoeld in het eerste lid, op het verzoek van genoemde indiener ook een voorlopige voorziening worden getroffen. 2. Het verzoek strekt tot schorsing van de fictief afwijzende beslissing op de aanvraag van verzoeker om FASE, nu deze in strijd is met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel en derhalve in de bezwaarprocedure geen stand zal houden, aldus verzoeker. Verzoeker voert voorts aan dat hij als gevolg van de fictieve weigering op zijn aanvraag om FASE sterk financieel wordt benadeeld. 3.1 Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder inmiddels de door verzoeker verzochte FASE-uitkering op 19 januari 2021 bij wijze van voorschot aan verzoeker heeft betaald. Gelet hierop is geen sprake van een situatie waarin ter voorkoming van onevenredig nadeel een voorlopige voorziening wenselijk is. Reeds gelet hierop dient het verzoek te worden afgewezen. 4. Beslist wordt als volgt. BESLISSING De rechter in dit gerecht: - wijst het verzoek af. Deze beslissing is gegeven door mr. M. Soffers, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2021 in aanwezigheid van de griffier. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.