Beschikking van 24 augustus 2021 Behorend bij E.J. no. AUA201902316 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA BESCHIKKING in de zaak van: [Naam verzoekster], wonende in Aruba, verzoekster, hierna ook te noemen: [verzoekster], gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock, tegen: de naamloze vennootschap WRS INTERNATIONAL N.V., gevestigd in Aruba, verweerster, hierna ook te noemen: WRS, gemachtigde: de advocaat mr. J.A. Saade. 1DE PROCEDURE 1.1 Het verloop van de procedure tot 11 mei 2021 blijkt uit de tussenbeschikking van dit Gerecht van die datum. De bij die beschikking gelaste comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 8 juni 2021. [Verzoekster] is samen met haar gemachtigde ter zitting verschenen en WRS is verschenen bij haar gemachtigde samen met mevrouw [naam medewerker HR] en de heer [naam directeur] (medewerker Human Resources respectievelijk directeur bij WRS). Partijen hebben over en weer het woord gevoerd, WRS mede aan de hand van toegelaten nadere producties, en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen. 1.2 Beschikking is bepaald op heden. 2DE VERDERE BEOORDELING 2.1.Het Gerecht volhardt in zijn in de tussenbeschikkingen neergelegde overwegingen en beslissingen, behoudens het navolgende. 2.2 De comparitie van partijen heeft uitgewezen dat niet in geschil is tussen partijen dat [verzoekster] de door haar van klanten van het casino ontvangen fooien niet moest of niet moet deponeren in een trunk/fooienpot zodat die verdeeld zouden of kunnen worden onder al het personeel van WRS. Dat brengt met zich dat het in rechtsoverweging 3.9 van de tussenbeschikking van 9 juni 2020 omschreven bij partijen genoegzaam bekende voorshandse oordeel van het Gerecht niet juist is, omdat dat oordeel is gegrond op de fout gebleken aanname dat ook die fooien tot medio november 2014 wel afgedragen moesten worden ten behoeve van de onder al het personeel van WRS te verdelen trunk/fooienpot. Dat brengt met zich dat het Gerecht terugkomt van dat voorshandse oordeel. 2.3 Gevolg van vorenstaande is dat er niets in mindering strekt op het in de tussenbeschikking van 11 mei 2021 onder rechtsoverweging 2.5 omschreven totaalbedrag ad Afl. 13.814,99 aan achterstallig loon dat WRS verschuldigd is aan [verzoekster]. De slotsom op dit onderdeel luidt dat WRS zal worden veroordeeld tot betaling aan [verzoekster] van het in dat verband door haar gevorderde (mindere) bedrag ad Afl. 13.809,11, te vermeerderen met de ambts- en billijkheidshalve gematigd vastgestelde wettelijke verhoging van telkens maximaal 12%. 2.4 In het licht van al het vorenstaande heeft [verzoekster] naar het oordeel van het Gerecht geen of onvoldoende rechtens te respecteren belang bij toewijzing van de in het tussenbeschikking van 9 juni 2020 onder 2.1 sub a. verzochte verklaring voor recht, omdat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.