Vonnis van 16 juli 2021 Behorend bij AUA202101467 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA VONNIS IN KORT GEDING in de zaak van: [EISERES], te Aruba, eiseres, hierna ook te noemen: [Eiseres], gemachtigde: de advocaat mr. N.S. Gravenstijn, tegen: [GEDAAGDE], te Aruba, gedaagde, hierna ook te noemen: [Gedaagde], procederende in persoon. 1DE PROCEDURE 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift d.d. 2 juni 2021; - de mondelinge behandeling d.d. 18 juni 2021, waar partijen zijn verschenen en waar zij hun standpunten nader hebben toegelicht. 1.2 Vonnis is nader bepaald op heden. 2DE VASTSTAANDE FEITEN 2.1 [ Eiseres] is eigenaresse van de woning gelegen te [adres] te Aruba (hierna: de woning). Op grond van een huurovereenkomst d.d. 31 maart 2016 huurt [gedaagde] de woning van [eiseres] met ingang van 1 april 2016 tegen een huurprijs van Afl. 2.400,00 per maand (verzoekschrift, prod. 3). 2.2 [ Eiseres] exploiteert in de woning een kinderdagverblijf. 2.3 Bij beschikking van 26 november 2020 heeft de Huurcommissie aan [eiseres] toestemming verleend om de huurovereenkomst met [gedaagde] wegens een huurachterstand van Afl. 7.500,00 te ontbinden. 2.4 Bij brief van 23 december 2020 aan [gedaagde] heeft [eiseres] de huurovereenkomst met ingang van 1 april 2021 ontbonden (verzoekschrift, prod. 5). 3DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN 3.1 [ Eiseres] verzoekt, na vermeerdering van eis, het gerecht om haar kosteloze procedure te verlenen en voorts om bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad: - [ Gedaagde] te veroordelen om de woning met alle daarin aanwezige personen en goederen, voorzover deze laatste geen eigendom zijn van [eiseres], te ontruimen en te verlaten binnen 24 uren na het wijzen van dit vonnis en om de woning door afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van [eiseres] te stellen, met machtiging aan [eiseres] om dit vonnis zelf uit te voeren als [gedaagde] in gebreke blijft met de ontruiming, desnoods door het inroepen van de sterke arm van politie en justitie; - [ Gedaagde] te veroordelen om bij wijze van voorschot te voldoen een bedrag van Afl. 19.900,00, bestaande uit de verschuldigde achterstallige huurtermijnen, alsmede tot betaling van de na april 2021 te vervallen huurtermijnen van Afl. 2.400,00 per maand tot aan de daadwerkelijke ontruiming van het gehuurde, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het verzoekschrift; - om iedere voorziening te treffen die het gerecht in goede justitie vermeent te behoren; - [ Gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure. 3.2 Op de grondslagen van de vordering en het daartegen gevoerde verweer zal het gerecht hierna, voor zover voor de beoordeling van de vordering van belang, nader ingaan. 4DE BEOORDELING 4.1 De spoedeisendheid van de gevraagde voorziening volgt uit de aard van de vordering en is, mede gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, in voldoende mate komen vast te staan. 4.2 In dit kort geding dient beoordeeld te worden of de vorderingen van [eiseres] een zodanige kans van slagen hebben in een eventuele bodemprocedure dat vooruitlopend daarop toewijzing van de door haar gevorderde voorlopige voorziening bij voorraad gerechtvaardigd is. Voor zover de vordering strekt tot betaling van een geldsom heeft te gelden dat voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding slechts dan plaats is, als het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is en er daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl in de afweging van belangen mede betrokken dient te worden de vraag naar het risico van de onmogelijkheid van terugbetaling. 4.3 Aan het verzoek tot ontruiming heeft [eiseres] ten grondslag gelegd dat zij op grond van de beschikking d.d. 26 november 2020 van de Huurcommissie de huurovereenkomst met ingang van 21 april 2021 heeft ontbonden. Die beschikking van de Huurcommissie en de daarop gebaseerde ontbinding zijn, zo oordeelt het gerecht, door [gedaagde] niet weersproken. Voorts heeft [gedaagde] ter zitting verklaard dat zij geen beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van de Huurcommissie. Daarmee is voorshands voldoende aannemelijk geworden dat bodemrechter tot het oordeel zal komen dat de huurovereenkomst met ingang van 1 april 2021 rechtsgeldig door [eiseres] is ontbonden. Dit betekent dat de vordering tot ontruiming voor toewijzing gereed ligt. Het gerecht zal de vordering dan ook toewijzen, zij het met inachtneming van de hierna te vermelden ontruimingstermijn. Zolang [gedaagde] het gehuurde niet heeft ontruimd, is zij huurpenningen aan [eiseres] verschuldigd. 4.4 Uit het eerste lid van artikel 556 Rv volgt dat [eiseres] de ontruiming niet zelf ter hand mag nemen, en dat gedwongen ontruiming het exclusieve terrein is van de deurwaarder. [Eiseres] heeft voldoende aan dit vonnis om de deurwaarder te kunnen inschakelen indien [gedaagde] niet vrijwillig tot nakoming daarvan overgaat. In het licht daarvan heeft [eiseres] derhalve geen machtiging nodig om de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen. Voorwaarde is dat het ontruimingsvonnis door de deurwaarder wordt betekend aan [gedaagde], en dat aan [gedaagde] overeenkomstig het bepaalde in artikel 555 Rv bevel wordt gedaan om binnen drie dagen (na ommekomst van de aan haar bij dit vonnis gegunde ontruimingstermijn dus) te ontruimen. De deurwaarder op zijn beurt behoeft geen rechterlijke machtiging om bevoegd te zijn de hulp van de sterke arm van politie en justitie in te roepen indien de deuren van het te ontruimen pand gesloten zijn of de opening daarvan geweigerd wordt. Die bevoegdheid ontleent de deurwaarder immers rechtstreeks aan artikel 557 Rv, waarin artikel 444 Rv van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. Voorziet de instrumenterende deurwaarder problemen, dan kan deze op de voet van (strekking en geest van) de Algemene Politieverordening - zonder dat daartoe rechterlijke machtiging nodig is - bijstand van de politie inroepen. In het licht van dit alles valt van de bodemrechter het oordeel te verwachten dat dit onderdeel van het door [eiseres] verzochte moet worden afgewezen. Dat betekent dat dit onderdeel van de thans door [eiseres] verzochte voorziening zal worden afgewezen. 4.5 Ten aanzien van het ontstaan en omvang van de huurachterstand is voorshands, gezien het partijdebat, het volgende voorshands voldoende aannemelijk geworden. [Gedaagde] exploiteert in de woning een kinderdagverblijf. Zij had tot maart 2020 gemiddeld 136 kinderen in de opvang. Na het uitbreken van de Covid-19 pandemie is dit aantal drastisch gedaald. Op dit moment is er wel sprake van een verbetering, maar dat neemt niet weg dat zij ook thans nog slechts 36 kinderen in de opvang heeft. Door de plotselinge en drastische verlaging van het aantal kinderen in de opvang, zijn ook de inkomsten van [gedaagde] navenant gedaald. Zij was daartoe niet meer in staat om de huur te betalen. 4.6 Tussen partijen staat, op grond van hetgeen ter zitting is besproken, vast dat de huurachterstand per eind november 2020 (de datum van de beslissing van de Huurcommissie) Afl. 7.500,00 bedroeg en dat [gedaagde] verder (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.