Vonnis van 25 augustus 2021 Behorend bij AUA201902494 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA VONNIS in de zaak van: [naam eiser], wonende in Aruba, eiser, hierna ook te noemen: [eiser], gemachtigde: de advocaat mr. R.J. Kock, tegen: [naam gedaagde], wonende in Aruba, gedaagde, hierna ook te noemen: [gedaagde], gemachtigde: mr. M.M. Malmberg. 1DE PROCEDURE 1.1 Het verloop van de procedure tot en met 20 november 2019 blijkt uit het tussenvonnis van die datum. Het verdere verloop blijkt uit: - het proces-verbaal van de comparitie van partijen d.d. 20 februari 2020; - de akte uitlating d.d. 20 mei 2020 van [eiser]; - de antwoordakte d.d. 17 juni 2020 van [gedaagde]. 1.2 Vonnis is vervolgens nader bepaald op heden. 2DE VASTSTAANDE FEITEN 2.1 Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest in algehele gemeenschap van goederen. Bij beschikking d.d. 29 april 2019 van dit gerecht is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De beschikking is op 11 juli 2019 ingeschreven in het daartoe bestemde register bij Censo. 2.2 Tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap (hierna: de gemeenschap) behoort in ieder geval: - het recht van erfpacht ten aanzien van het perceel [adres woning] met daarop de voormalige echtelijk woning (welk recht van erfpacht hierna zal worden aangeduid als: de woning); - een bankrekening bij de Caribbean Mercantile Bank (hierna: CMB); - een auto Suzuki Swift; - een auto Toyota Yaris; - pensioenrechten van [eiser]; - een aandeel van [eiser] in de nalatenschap van zijn vader. 2.3 Partijen hadden op 11 juli 2019 in ieder geval een hypothecaire lening die als schuld op de gemeenschap verhaalbaar is. 2.4 De moeder van [eiser] is overleden op 2 januari 2010 met achterlating van een testament. In het testament is, onder I, bepaald: “I. Ik bepaal, dat hetgeen krachtens erfrecht uit mijn nalatenschap wordt verkregen en hetgeen daarvoor door belegging of wederbelegging voor in de plaats mocht treden, alsmede de vruchten van een en ander, niet zal vallen in enige huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap (…).” 2.5 De vader van [eiser] is overleden op 27 november 2010. In diens testament heeft de vader als zijn enig erfgenaam benoemd de heer [naam broer], een broer van [eiser]. [Eiser] heeft (evenals zijn andere broer) aanspraak gemaakt op zijn legitieme portie. 2.6 Op 2 januari 2020 heeft [naam medewerkster], medewerkster op een notariskantoor te Sint Maarten, het volgende bericht aan [eiser] alsmede aan diens adviseur [naam adviseur]: “Uit de nalatenschap van zijn moeder ontvangt de heer [eiser] een bedrag van USD30,782.75. Zijn legitieme portie in de nalatenschap van zijn vader is USD38,478.44. (…)” 2.7 Er heeft nog geen verdeling van de gemeenschap plaatsgevonden. 3DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN 3.1 [ eiser] vordert dat het gerecht bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de verdeling van de gemeenschap vaststelt op de door hem in het petitum van het verzoekschrift voorgestane wijze. 3.2 [ gedaagde] wenst eveneens dat de verdeling van de verdeling wordt vastgesteld, rekening houdend met hetgeen daaromtrent door haar naar voren is gebracht. 3.3 Het gerecht zal hierna, bij de beoordeling van het geschil, nader ingaan op de concrete standpunten van partijen. 4DE BEOORDELING De omvang van de boedel op 11 juli 2019 4.1 Partijen verschillen niet van mening dat de onder nummer 2.2 genoemde goederen deel uitmaken van de gemeenschap. [gedaagde] heeft gesteld dat tot de gemeenschap verder nog behoort een auto (model stationwagen), een aandeel van de man in de nalatenschap van zijn moeder en bankrekeningen te Sint Maarten. Tot de schulden die op de gemeenschap verhaalbaar zijn, behoren volgens [eiser] verder nog vervallen erfpachtscanon alsmede schulden wegens de levering van water, elektriciteit en telecommunicatiediensten. - het aandeel van [eiser] in de nalatenschap van zijn moeder 4.2 [ eiser] heeft bij akte uitlating een kopie van het testament van zijn moeder overgelegd en heeft erop gewezen dat in het testament (onder ‘I’) een uitsluitingsclausule is opgenomen, waardoor het aandeel in de nalatenschap van zijn moeder niet in de gemeenschap van goederen is gevallen en thans dus geen deel uitmaakt van de gemeenschap. Bij antwoordakte heeft [gedaagde] het bestaan van de uitsluitingsclausule erkend. Dat brengt mee dat het aandeel van [eiser] in de nalatenschap van zijn moeder geen deel uitmaakt van de gemeenschap. Het gerecht hoeft ten aanzien van dit aandeel dus geen beslissing te nemen. - de stationwagon 4.3 [ eiser] heeft erkend dat tot de gemeenschap van goederen ook behoorde een KIA Rio stationwagon uit 2002. Volgens [eiser] heeft hij de auto in de tweede helft van 2019 aan de (meerderjarige) zoon van partijen gegeven. [Gedaagde] heeft betwist dat de stationwagon aan de zoon is gegeven en heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de zoon geen rijbewijs heeft en dus niet mag rijden. 4.4 Op grond van de uitlating van partijen staat vast dat op het moment dat de echtscheiding (in de eerste helft van 2019) werd uitgesproken de stationwagon nog behoorde tot de gemeenschap van goederen. [eiser] heeft in het licht van de betwisting door [gedaagde] zijn stelling dat de stationwagon aan de zoon is geschonken, onvoldoende gemotiveerd onderbouwd, zodat de stelling dienaangaande zal worden gepasseerd. Het gerecht neemt om die reden als vaststaand aan dat ook de stationwagon behoort tot de gemeenschap. - de bankrekeningen te Sint Maarten en de door [eiser] gestelde schulden 4.5 De stelling van [gedaagde] dat tot de gemeenschap ook een aantal bankrekeningen te Sint Maarten behoren, zal het gerecht hierna - bij de bespreking van de verdeling van de gemeenschap - beoordelen. Datzelfde geldt voor de door [eiser] gestelde schulden. De verdeling van de boedel - de voormalige echtelijke woning 4.6 Blijkens hetgeen partijen hieromtrent in hun aktes hebben gesteld, hebben zij er overeenstemming over bereikt dat de verdeling van de echtelijke woning zal geschieden door verkoop ervan aan een derde, waarna de opbrengst tussen partijen zal worden verdeeld. Partijen hebben het proces van verkoop in samenwerking met de FCCA (de hypotheekverstrekker) reeds in gang gezet. Gezien het tijdsverloop tussen de aktewisseling en het wijzen van dit vonnis, is het niet uitgesloten dat de woning reeds is verkocht. Het gerecht zal desalniettemin beslissen dat in het kader van de verdeling de woning onderhands aan een derde zal worden verkocht, waarna de netto-opbrengst tussen partijen moet worden verdeeld. - de verdeling van de netto-opbrengst 4.7 De vrije marktwaarde van de woning is op 5 april 2019 getaxeerd op Afl. 298.000,00. Ten tijde van de indiening van het verzoekschrift was er nog een restant hypothecaire lening van Afl. 25.662,79. Partijen verschillen van mening op welke wijze de netto-opbrengst van de woning, na aflossing van het restant van de hypothecaire lening en de kosten van de verkoop, tussen hen moet worden verdeeld. 4.8 [ eiser] stelt in dit verband dat tijdens het huwelijk een bedrag van Afl. 178.926,31 op de hypothecaire lening is afgelost, maar dat deze aflossingen volledig door hem zijn gedragen. Vandaar dat hij bij de verdeling van de woning een regresvordering heeft op [gedaagde] ter hoogte van de helft van dit bedrag, zijnde Afl. 89.463,15. Daarnaast maakt [eiser] aanspraak op een gebruiksvergoeding, omdat [gedaagde] sedert april 2019 als enige gebruik maakt van de woning. Deze vergoeding moet volgens hem eveneens in de verdeling van de netto-opbrengst worden betrokken. 4.9 [ gedaagde] is van oordeel dat de netto-opbrengst bij helfte moet worden verdeeld en heeft de twee verrekenposten die [eiser] opvoert, betwist. 4.10 De stelling van [eiser] dat hij ter zake van tijdens het huwelijk gedane aflossingen op de hypotheekschuld een regresvordering heeft op [gedaagde] vindt geen steun in het recht. Partijen waren in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Dit brengt mee dat de gelden waarmee de aflossingen zijn gedaan onderdeel uitmaakten van de algehele gemeenschap van goederen en daarmee door partijen samen zijn gedragen. Partijen hebben dan ook ieder een gelijk aandeel in de gemeenschap, zodat zij een gelijk aandeel hebben in de netto-opbrengst van de woning. 4.11 Tijdens de comparitie heeft [eiser] verklaard dat hij sinds april 2019 de hypotheeklasten van Afl. 750,00 per maand (bestaande uit rente, aflossing en verzekering) niet meer heeft voldaan, omdat hem daartoe onvoldoende middelen resteerden na de maandelijkse betaling van de huur van zijn appartement en alimentatie aan [gedaagde]. Dat brengt mee dat deze maandelijkse termijnen door de verstrekker van de hypothecaire lening bij de restschuld zijn gevoegd en daarmee in mindering strekken op de netto-opbrengst die tussen partijen moet worden verdeeld. [gedaagde] zal daarmee dus de helft van de sedert 2019 vervallen verplichtingen uit de hypothecaire lening dragen. [gedaagde] heeft onbetwist gesteld dat er bij de vaststelling van de partneralimentatie daarentegen rekening mee is gehouden dat [eiser] de lasten verbonden aan de hypothecaire lening zou voldoen, hetgeen geresulteerd heeft in een lagere alimentatie ten behoeve van [gedaagde]. Het gerecht ziet in deze omstandigheid, zoals door [gedaagde] is bepleit, aanleiding om geen gebruiksvergoeding ten laste van [gedaagde] vast te stellen welke in de verdeling van de netto-opbrengst zou moeten worden betrokken. 4.12 Tot slot heeft [eiser] gesteld dat [gedaagde] vanaf april 2019 (zijnde de maand vanaf welke [gedaagde] alleen de woning bewoont) de lasten ter zake van (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.