← Nederland

ECLI:NL:OGEAA:2021:515

Beschikking van 26 oktober 2021 behorend bij EJ. nr. AUA202002934 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA BESCHIKKING op het verzoek van [verzoekster], VERZOEKSTER, hierna: de grootmoeder moederszijde, wonende in Aruba, [adres], procederend in persoon. Belanghebbenden: [de moeder], hierna: de moeder, [de minderjarige X], geboren op [geboortedatum] 2011 of [geboortedatum] 2001 in Haïti, hierna: de minderjarige, beiden wonende in Haïti, DE AMBTENAAR VAN DE BURGERLIJKE STAND, hierna: de ambtenaar, gemachtigde: mr. A.M. Els. 1DE PROCEDURE 1.1 De procedure blijkt uit: het verzoekschrift, ingediend op 19 november 2020, de mondelinge behandeling van de zaak ter zitting van 25 mei 2021, waaruit blijkt dat zijn verschenen de grootmoeder moederszijde in persoon en de gemachtigde van de ambtenaar. De moeder is, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschenen. 1.2 De uitspraak is nader bepaald op heden. 2DE FEITEN Bij uitspraak van “Le Tribunal de Première Instance de la Croix-des-Bouquets” in Haïti, van 13 januari 2020, heeft de rechtbank de grootmoeder moederszijde belast met de voogdij over de minderjarige “[de minderjarige Y], geboren op 21 oktober 2011 in Haïti”. 3HET VERZOEK Het verzoek strekt - naar het gerecht begrijpt - tot afgifte van een verklaring als bedoeld in artikel 1:26 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) ter zake van voornoemde uitspraak van 13 januari

  1. Daartoe is gesteld dat het in het belang van de minderjarige is dat voornoemde beslissing in Aruba wordt erkend opdat zijn verblijfsstatus hier te lande geregeld kan worden. 4DE BEOORDELING 4.1 Op grond van artikel 1:26 BW kan het gerecht een verklaring voor recht afgeven dat een buiten Aruba gedane uitspraak overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is gedaan en naar zijn aard vatbaar is voor opneming in een register van de burgerlijke stand. 4.2 Het gerecht stelt voorop dat voornoemde uitspraak van 13 januari 2020 naar zijn aard niet vatbaar is voor opneming in een register van de burgerlijke stand, aangezien die registers geen informatie omtrent voogdij c.q. gezag over minderjarigen bevatten. Het verzoek is daarom niet toewijsbaar. 4.3 Ten overvloede overweegt het gerecht het volgende. Ook indien verzoekster met haar verzoek bedoeld heeft te verzoeken dat het gerecht voornoemde beslissing van 13 januari 2020 erkent, overweegt het gerecht dat het verzoek moet worden afgewezen en wel om de volgende redenen. 4.4 Bij gebreke van een daartoe strekkende wettelijke bepaling of verdrag voor de erkenning van beslissingen van rechters in Haïti omtrent gezagsvoorziening, dient de vraag of voornoemde Haïtiaanse beslissing in Aruba kan worden erkend te worden beoordeeld aan de hand van de commune internationaal privaatrechtrechtelijke regels. Bij de beantwoording van de vraag of een buitenlandse beslissing als de onderhavige voor erkenning in aanmerking komt geldt als uitgangspunt dat die beslissing voor erkenning in aanmerking komt indien is voldaan aan de volgende drie cumulatief geldende voorwaarden, te weten:
  2. de buitenlandse rechter was op een internationaal aanvaarde grond bevoegd om kennis te nemen van de zaak;
  3. het vonnis is tot stand gekomen na een behoorlijke rechtspleging, en
  4. erkenning van het vonnis is niet in strijd met de openbare orde. 4.5 Waar het betreft de eerste eis is gebleken dat de betreffende rechter van het gerecht “Le Tribunal de Première Instance de la Croix-des-Bouquets” in Haïti de rechter van de woonplaats van de minderjarige was, hetgeen ook naar internationale maatstaven een grond voor de rechterlijke bevoegdheid vormt. De Haïtiaanse rechter was dan ook bevoegd om kennis te nemen van de zaak. Ten aanzien van de tweede en de derde eis overweegt het gerecht dat niet geoordeeld kan worden dat daaraan is voldaan, nu gebleken is dat zowel de vader van de minderjarige als de grootmoeder moederszijde, wie de rechter in Haïti met de voogdij over de minderjarige heeft belast, niet in die zaak zijn gehoord. Verder volgt uit de stukken dat de vermelde voornamen van de minderjarige in voornoemde beslissing ([de minderjarige Y]) niet overeenkomen met de voornamen zoals vermeld op de geboorteakte van de minderjarige ([de minderjarige X]). In de geboorteakte van de minderjarige en voornoemde beslissing wordt voorts vermeld dat hij op [geboortedatum] 2011 is geboren, maar in die geboorte akte wordt ook vermeld dat de minderjarige op [geboortedatum] 2001 is geboren en dat het een dochter zou zijn. Indien deze omissies zijn, dienen deze fouten te worden verbeterd. Gelet op het vorenstaande kan niet geoordeeld worden dat er sprake is geweest van een behoorlijke en zorgvuldige rechtspleging en dat erkenning van de beslissing niet in strijd zal zijn met de openbare orde. 5DE BESLISSING Het gerecht: wijst het verzoek af. Deze beschikking is gegeven door mr. E.M.D. Angela, rechter in dit gerecht en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van dinsdag 26 oktober 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.