Vonnis van 15 december 2021 Behorend bij A.R. no. AUA202000532 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA VONNIS in de zaak van: de naamloze vennootschap BANCO DI CARIBE ARUBA N.V., te Aruba, eiseres, hierna ook te noemen: BdC, gemachtigde: de advocaat mr. W.G.T.M. Kloes, tegen: [GEDAAGDE], te Aruba, gedaagde, hierna ook te noemen: [Gedaagde], procederend in persoon. 1DE PROCEDURE 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: -het inleidend verzoekschrift, met producties; -de conclusie van antwoord, met producties; -de conclusie van repliek, met producties; -de tegen [gedaagde] verleende akte van niet dienen van dupliek. 1.2 Vonnis is met welgemeende excuses voor alle vertraging nader bepaald op heden. 2DE FEITEN 2.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende bestreden alsmede op grond van overgelegde producties voor zover niet of onvoldoende bestreden staat onder meer het volgende vast tussen partijen. 2.2 Partijen hebben op 18 september 2017 een overeenkomst van geldlening gesloten krachtens welke [gedaagde] van BdC Afl. 11.940,-- in verbruikleen heeft ontvangen (hierna: de overeenkomst). 2.3 Omdat [gedaagde] haar betalingsverplichting uit de overeenkomst niet naar behoren is nagekomen, is zij per 22 november 2019 Afl. 10.627,19 opeisbaar verschuldigd aan BdC, te vermeerderen met overeengekomen rente ad 10.56% jaarlijks gerekend vanaf 23 november 2019. 2.4 BdC heeft [gedaagde] bij schrijven van 25 november 2019 en van 16 december 2019 telkens onder termijnstelling gesommeerd tot betaling aan BdC van het door [gedaagde] aan BdC verschuldigde bedrag. Betaling daarvan is uitgebleven. 2.5 Na daartoe verkregen rechterlijk verlof heeft BdC op zes februari 2020 ten laste van [gedaagde] conservatoir derdenbeslag doen leggen onder de openbare rechtspersoon het Land Aruba op alle gelden die het Land Aruba uit een reeds bestaande rechtsverhouding ten behoeve van [gedaagde] onder zich heeft of zal verkrijgen. 3DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN 3.1 BdC vordert dat het Gerecht bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] veroordeelt: a. om aan BdC te betalen Afl. 10.627,19, te vermeerderen met
(1)overeengekomen rente ad 10.56% jaarlijks gerekend vanaf 23 november 2019 en
(2)met Afl. 1.500,-- aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten; b. in de proceskosten. 3.2 [ Gedaagde] heeft verweer gevoerd, en heeft om een redelijke betalingsregeling met BdC verzocht. 3.3 Voorzover van belang voor de uitkomst van deze procedure worden de stellingen van partijen hierna besproken. 4DE BEOORDELING 4.1 Uit het hiervoor omschreven feitencomplex volgt dat de vordering van BdC in hoofdsom te vermeerderen met overeengekomen rente zal worden toegewezen als na te melden. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die een ander oordeel kunnen dragen. Het is niet aan het Gerecht maar aan partijen om in het licht van dit veroordelend vonnis met elkaar aan tafel te gaan om te bespreken of BdC al dan niet bereid is een passende betalingsregeling met [gedaagde] aan te gaan. 4.2 Ter zake van de door BdC verzochte vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt het volgende overwogen. Niet is gebleken dat er door of namens BdC meer buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht dan die ter voorbereiding en instructie van de zaak op welke krachtens artikel 63a Rv alleen de regels van proceskosten van toepassing zijn. De twee hiervoor onder 2.4 vermelde schriftelijke aanmaningen/sommaties vallen zonder meer binnen het bereik van die wettelijke bepaling. De hier besproken vordering van BdC zal worden afgewezen. 4.3 [ Gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van BdC waaronder begrepen die van het hiervoor onder 2.5 vermelde conservatoire derdenbeslag, tot aan deze uitspraak begroot op (750,-- + 230,65 + 269,85 + 218,65 + 192,15 =) Afl. 1.661,30 aan verschotten (griffiegeld, oproep- en beslagexplootkosten) en Afl. 3.000,-- aan salaris voor de gemachtigde (3 punten, tarief 4 ad Afl. 1.000,-- per punt). 5DE UITSPRAAK Het Gerecht: -veroordeelt [gedaagde] om aan BdC te betalen Afl. 10.627,19, te vermeerderen met overeengekomen rente ad 10.56% jaarlijks gerekend vanaf 23 november 2019 tot aan de dag der algehele voldoening; -veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van BdC, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 1.661,30 aan verschotten en Afl. 3.000,-- aan salaris voor de gemachtigde; -verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; -wijst af het meer of anders verzochte. Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 15 december 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.