← Nederland

ECLI:NL:OGEAA:2021:64

Beschikking van 16 februari 2021 Behorend bij E.J. AUA202001367 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA BESCHIKKING in de zaak van: [Naam verzoeker], wonende in Aruba, VERZOEKER, hierna ook te noemen: [verzoeker], gemachtigde: mr. A.E.A. Hernandez, tegen: de naamloze vennootschap HAKMAR GENERAL CONTRACTOR N.V., gevestigd in Aruba, VERWEESTER, hierna ook te noemen: Hakmar, gemachtigde: mr. M.R.M. Reinkemeyer, 1DE PROCEDURE 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift, ingediend op 8 juni 2020; - het verweerschrift, ingediend op 1 september 2020; - de aanvullende producties zijdens [verzoeker], ingediend op 5 november 2020; - de pleitnota van [verzoeker]; - de mondelinge behandeling op 10 november 2020; - de akte uitlating ter zitting van 24 november 2020 van [verzoeker], waarbij is medegedeeld dat partijen geen regeling hebben bereikt. 1.2 Beschikking is nader bepaald op heden. 2DE VASTSTAANDE FEITEN 2.1 [ Verzoeker] is op 20 april 2016 voor onbepaalde tijd in loondienst getreden van Hakmar, laatstelijk in de functie van ‘fabricator” tegen een brutoloon vanAfl. 2.600,- per maand. 2.2 In de brief van 3 april 2020 van Hakmar aan [verzoeker] staat, voor zover van belang, het volgende: “(…) Subject: Termination of agreement. Herewith Hakmar N.V. would like to notify you the following that after the total lockdown of the crisis occurrence of the corona (COVID-19) in Aruba and internationally. The Aruban Government has stopped and or has cancelled all projects and construction projects, so all contractors in Aruba as March 28, 2020 until further notice, and since Hakmar N.V. being a general contractor also cannot function. As you already know Hakmar N.V. have difficulties in salaries payments and therefore with this situation Hakmar N.V. cannot sustain financially your biweekly salaries. (…)”. 2.3 [ Verzoeker] heeft bij brief van 20 april 2020 de nietigheid van het - volgens hem gegeven - ontslag ingeroepen en heeft hij doorbetaling van zijn loon gevorderd. [Verzoeker] heeft voorts zich bereid verklaard om zijn arbeidsovereenkomst met wederzijdse goedvinden te beëindigen onder de hiernavolgende voorwaarden: - beëindiging van de arbeidsovereenkomst met ingang van heden 20 april 2020; - toekenning van een beëindigingsvergoeding gelijk aan Afl. 18.000,-; - betaling van achterstallig salaris ad Afl. 2.500,-; - betaling van ingehouden doch niet afgedragen pensioenpremies (Guardian Group); - toekenning aan client van een uitgebreide getuigschrift; - verlening over en weer van algehele finale kwijting. 2.4 Bij brief van 24 april 2020 van Hakmar gericht aan [verzoeker] staat, voor zover van belang, het volgende: “(…) Cliënte gaat akkoord met het voorstel van uw cliënt om de arbeidsovereenkomst met cliënte met wederzijds goedvinden te beëindigen per 20 april 2020 met uitzondering van de uitbetaling aan uw cliënte van ingehouden doch niet afgedragen pensioenpremies. Cliënte zal deze premies alsnog aan de desbetreffende pensioeninstelling afdragen conform art. 10 van de Landsverordening algemeen pensioen. Het is, zoals uw client ook weet, zeer (financieel) moeilijke tijden. Cliënte heeft op dit moment helemaal geen inkomsten en kampt aldus met liquiditeitsproblemen. Dat brengt met zich dat het voor cliënte onmogelijk is om uitbetaling van de beëindigingsvergoeding en het achterstallig salaris ad Afl. 20.500,- (Afl. 18.000,- + Afl. 2.500,-) op dit moment te kunnen doen. Zodra cliënte de middelen weer heeft om voornoemd bedrag aan uw client te kunnen betalen zal cliënte dit ook doen. Cliënte denkt dat zij het voornoemd bedrag binnen een

(1)jaar aan uw client zal kunnen voldoen. (…)”
  1. DE VORDERING 3.1 Het verzoek strekt ertoe om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad: - te verklaren dat het door Hakmar aan [verzoeker] op 3 april 2020 verleende ontslag op staande voet nietig is; - Hakmar te veroordelen om aan [verzoeker] zijn loon door te betalen vanaf 3 april 2020 totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente; - Hakmar te veroordelen om tegen kwijting aan [verzoeker] te betalen een bedrag van Afl. 2.500,- aan achterstallig loon, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente; - enig andere voorlopige voorziening te treffen die het Gerecht in goede justitie geraden acht; - Hakmar te veroordelen in de proceskosten. 3.2 Aan dit verzoek heeft [verzoeker] ten grondslag gelegd dat hij op staande voet is ontslagen, terwijl er geen sprake was van een daartoe vereiste dringende reden danwel toestemming van de Directeur van de Directie Arbeid. 3.3 Hakmar heeft gemotiveerd verweer gevoerd en concludeert dat het gevorderde dient te worden afgewezen, kosten rechtens. Daartoe voert zij, zakelijk weergegeven aan dat: - op 3 april 2020 door Hakmar geen ontslag (op staande voet) is gegeven; - de arbeidsovereenkomst is beëindigd doordat Hakmar bij brief van 24 april 2020 het beëindigingsvoorstel in de brief van 20 april 2020 van [verzoeker] heeft aanvaard. 3.4 Het Gerecht zal hierna, waar nodig, nader op de standpunten van partijen ingaan. 4DE BEOORDELING Het ontslag van 3 april 2020 4.1 De vraag die thans allereerst dient te worden beantwoord is of Hakmar [verzoeker] bij brief van 3 april 2020 op staande voet heeft ontslagen. 4.2 Het Gerecht stelt voorop dat opzegging van een arbeidsovereenkomst een eenzijdige, gerichte rechtshandeling is die vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst. 4.3 Hakmar heeft betwist dat zij [verzoeker] bij brief van 3 april 2020 op staande voet heeft ontslagen. Volgens Hakmar was deze brief bedoeld om de werknemers te helpen met het aanmelden voor ‘FASE’. Zij heeft echter een fout gemaakt in de aanhef van de brief van [verzoeker] omdat er per abuis in de aanhef stond ‘Termination Agreement’. Hakmar is hier enkele dagen later achter gekomen en wilde dit corrigeren, maar [verzoeker] zei: ‘Nee, laat het zo. Zo is het goed’. Door Hakmar te weigeren om de aanhef te corrigeren en ook het feit dat [verzoeker] hierna niet meer op het werk is verschenen, heeft [verzoeker] zelf ontslag genomen, aldus Hakmar. 4.4 Het Gerecht overweegt als volgt. Uit de inhoud van de brief van 3 april 2020 blijkt niet dat het de bedoeling was van Hakmar om de arbeidsovereenkomst te beëindigen, zoals Hakmar terecht heeft gesteld. In die brief heeft Hakmar slechts [verzoeker] medegedeeld dat zijn salarissen niet kunnen worden uitbetaald. Dat aan de kop van de brief als aanhef is vermeld: ‘Termination of agreement’, doet aan het voorgaande niet af. Dat brengt mee dat de brief niet als een ontslagbrief kan worden aangemerkt. 4.5 Voorts kan uit het enkele feit dat [verzoeker] heeft gezegd dat de aanhef niet hoefde te worden gecorrigeerd, niet worden geconcludeerd dat [verzoeker] zelf ontslag heeft genomen. 4.6 Het voorgaande heeft dus tot gevolg dat het door [verzoeker] gestelde ontslag op staande voet op 3 april 2020 niet vast is komen te staan en dat ook anderszins niet is gebleken dat er naar aanleiding van die brief een beëindiging van de arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Gelet hierop zal de vordering om voor recht te verklaren dat het ontslag nietig is, worden afgewezen. Beëindigingsovereenkomst 4.7 De volgende vraag die beantwoording behoeft, luidt of tussen partijen een beëindigingsovereenkomst is overeengekomen. 4.8 Hakmar heeft gesteld dat het aanbod tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst in de brief van [verzoeker] van 20 april 2020 door Hakmar bij brief van 24 april 2020 (verweerschrift, prod. 3) is aanvaard, met uitzondering van de pensioenpremies, en dus dit tot een beëindigingsovereenkomst heeft geleid. Naar het oordeel van het gerecht is de brief van Hakmar van 24 april 2020 echter geen aanvaarding van het aanbod van [verzoeker], zoals [verzoeker] terecht heeft gesteld. Hakmar heeft het aanbod aanvaard met een toegevoegde voorwaarde, te weten dat zij pas [verzoeker] kan betalen zodra Hakmar de financiële middelen heeft. Gezien het verstrekkende karakter van deze voorwaarde, dient dit te gelden als een nieuw aanbod. Dit nieuw aanbod is niet door [verzoeker] aanvaard, zoals [verzoeker] onweersproken heeft gesteld. Het voorgaande brengt mee dat er geen beëindigingsovereenkomst is overeengekomen. Dit betekent dat er nog een arbeidsovereenkomst bestaat tussen [verzoeker] en Hakmar. Doorbetaling loon 4.9 De volgende vraag die beantwoording behoeft, luidt of [verzoeker] bereid was om arbeid te verrichten. 4.10 Vast staat dat [verzoeker] ter zitting van de mondelinge behandeling van 10 november 2020 kenbaar heeft gemaakt dat hij bereid is om zijn bedongen arbeid te blijven verrichten. Gesteld noch gebleken is dat hij zijn bereidheid tot het verrichten van arbeid eerder aan Hakmar kenbaar heeft gemaakt. Daarmee was het voor Hakmar onmogelijk om nog gebruik te maken van de bereidheid van [verzoeker] om de bedongen arbeid te verrichten. Reeds daarom ziet het Gerecht geen grond voor doorbetaling van zijn loon tot en met 10 november
  2. Dat [verzoeker] niet eerder kenbaar heeft gemaakt dat hij bereid was tot het verrichten van arbeid omdat Hakmar uitdrukkelijk heeft gezegd dat er geen werk is als gevolg van Covid-19, maakt het vorenstaande niet anders. Dit betekent dat de vordering om het salaris van [verzoeker] door te betalen vanaf 10 november 2020 totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd, zal worden toegewezen. 4.11 De gevorderde wettelijke verhoging zal, gelet op vaste jurisprudentie van het Hof, worden gematigd tot 10%. 4.12 De wettelijke rente zal worden toegewezen als na te melden. Achterstallig loon 4.13 Voor wat betreft de vordering tot betaling van een bedrag van Afl. 2.500,- aan achterstallig loon overweegt het Gerecht als volgt. Volgens Hakmar bedraagt het achterstallig loon Afl. 1.356,
  3. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst Hakmar naar het door haar overgelegde betalingsoverzicht (verweerschrift, productie 4), waaruit blijkt dat zij thans nog Afl. 1.356,- aan [verzoeker] verschuldigd is. Gegeven de gemotiveerde betwisting van Hakmar had het op de weg van [verzoeker] gelegen om zijn stelling nader te onderbouwen dat Hakmar het bedrag van Afl. 2.500,- aan hem verschuldigd is, hetgeen hij niet heeft gedaan. Hij heeft voorts niet afdoende toegelicht hoe hij het verschuldigde bedrag aan achterstallig loon heeft berekend. De enkele omstandigheid dat Hakmar in het kader van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst bereid was om het door [verzoeker] genoemde bedrag van Afl. 2.500,- ter zake van achterstallig loon te betalen, is onvoldoende om aan te nemen dat dit ook daadwerkelijk de achterstand was. Zonder nadere toelichting, heeft [verzoeker] zijn stelling dat Hakmar hem nog Afl. 2.500,- aan achterstallig loon is verschuldigd, onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. Het Gerecht gaat daarom aan deze stelling voorbij, zonder [verzoeker] tot bewijs toe te laten. 4.14 Hakmar stelt zich voorts op het standpunt dat de vordering tot betaling ineens van de achterstand alsmede de vordering tot betaling van de verhoging wegens de vertraging op grond van artikel 7A:1614q BW en de wettelijke rente dient te worden afgewezen, nu partijen waren overeengekomen dat de achterstand in termijnen zou worden betaald (verweerschrift, 25). Hakmar heeft echter niet gesteld welke termijnen daarbij door partijen zijn afgesproken. Nu het door Hakmar overgelegde overzicht van de achterstand dateert van juli 2020 en Hakmar niet gemotiveerd heeft gesteld dat de afspraken van partijen ertoe leidt dat ook thans de vordering niet dan wel niet in zijn geheel toewijsbaar is, zal het gerecht dit verweer passeren. Zowel de vordering tot betaling van de achterstand als de tot betaling van de verhoging wegens de vertraging op grond van artikel 7A:1614q BW en de wettelijke rente zullen dan ook worden toegewezen. Het Gerecht zal, gelet op vaste jurisprudentie van het Hof, de wettelijke verhoging matigen tot 10%. De wettelijke rente zal worden toegewezen als na te melden. 4.15 Nu beide partijen over en weer op punten in het gelijk en het ongelijk zijn gesteld, zullen de kosten van de procedure worden gecompenseerd, in dier voege dat ieder der partijen de eigen kosten draagt. 5DE UITSPRAAK De rechter in dit Gerecht: 5.1 veroordeelt Hakmar om aan [verzoeker] zijn achterstallig loon te betalen vanaf 11 november 2020 en zijn loon door te blijven betalen totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging ingevolge artikel 7A:1614q BW, tot een maximum van 10% en de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag der voldoening; 5.2 veroordeelt Hakmar om aan [verzoeker] te betalen het bedrag van Afl. 1.356,-, vermeerderd met de wettelijke verhoging ingevolge artikel 7A:1614q BW, tot een maximum van 10% en de wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis tot de dag der voldoening; 5.3 compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; 5.4 verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.5 wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Verhoeven, rechter in dit Gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting op 16 februari 2021 in aanwezigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.