Uitspraak van 6 december 2021 Lar nr. AUA201904394 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA UITSPRAAK op het beroep in de zin van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van: NEW MILLENNIUM TELECOM SERVICES N.V., gevestigd in Aruba, APPELLANTE, gemachtigde: de advocaat mr. D.W. Ormel, gericht tegen: DE MINISTER VAN TRANSPORT, COMMUNICATIE EN PRIMAIRE SECTOR, zetelend te Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: de advocaat mr. H.U. Thielman. PROCESVERLOOP Op 13 mei 2016 heeft appellante bij verweerder een aanvraag ingediend voor een concessie voor het mogen aanbieden van internationale telecommunicatiediensten (ten behoeve van het verkrijgen van ‘landing rights’). Tegen het uitblijven van een beschikking op haar aanvraag heeft appellante op 18 augustus 2016 bezwaar gemaakt. Bij beslissing van 6 november 2019 (hierna: de bestreden beslissing) heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en besloten om geen voordracht aan de Gouverneur te doen tot afgifte van de verzochte concessie. Hiertegen heeft appellante op 17 december 2019 beroep ingesteld, door het indienen van een pro-forma beroepschrift. Appellante heeft bij aanvullend beroepschrift van 31 januari 2020 de gronden waarop haar beroepschrift berust, aangevuld. Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend. Appellante heeft op 8 september 2020 nadere stukken ingediend. De zaak is ter zitting behandeld op 14 september 2020, alwaar partijen bij hun gemachtigden voornoemd, zijn verschenen. Hierna heeft verweerder zich bij akte, ingediend op 27 oktober 2020, uitgelaten en stukken overgelegd. Appellante heeft zich bij akte, ingediend op 7 december 2020, hierover uitgelaten, onder overlegging van nieuwe stukken. Appellante heeft op 6 april 2021 aanvullende stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting is hervat ter zitting van 3 mei 2021, alwaar zijn verschenen appellante bij de gemachtigde voornoemd, en voor verweerder, de directeur van de Directie Telecommunicatiezaken, de heer L. Jansen, bijgestaan door de gemachtigde voornoemd. Partijen hebben hun standpunten nader uiteengezet aan de hand van voorgedragen en overgelegde aantekeningen. Hierna heeft verweerder op 31 mei 2021 nadere stukken ingediend, waarop appellante zich bij akte, ingediend op 14 juni 2021, heeft uitgelaten. Verweerder heeft vervolgens op 23 augustus 2021 wederom stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 30 augustus 2021, alwaar zijn verschenen partijen bij hun gemachtigden voornoemd. Hierna is de uitspraak nader bepaald op heden. OVERWEGINGEN Standpunten van partijen Appellante kan zich niet verenigen met de bestreden beslissing en heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat verweerder bij die beslissing heeft gehandeld in strijd met het vertrouwens-, het rechtszekerheids- en het gelijkheidsbeginsel. Daartoe heeft appellante, kort samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. Verweerder heeft ten onrechte de aanvraag beoordeeld aan de hand van het conceptbeleid voor het laten landen van overzeese glasvezelkabels. Dit conceptbeleid dateert van 2018 en is nog niet is gepubliceerd, maar is nadelig voor appellante, omdat haar aanvraag niet voldoet aan dit conceptbeleid nu zij ten tijde van het indienen van die aanvraag in 2016 hier geen rekening mee had kunnen houden. In dit geval had verweerder haar aanvraag dan ook ex-tunc moeten beoordelen. Volgens appellante heeft zij in 2016, conform het toen geldende beleid, een complete aanvraag ingediend en daarbij alle benodigde informatie en bescheiden voor de beoordeling van de aanvraag verschaft. Verder beschikt appellante over dezelfde concessie voor internationale telecommunicatiediensten als Setar. Volgens verweerder geldt voor Setar dat de ‘landing rights’ inbegrepen zijn in die concessie, terwijl dit niet voor appellante zou gelden. Verweerder licht niet toe waarom dit onderscheid tussen Setar en appellante wordt gemaakt. Aldus appellante. 1.2.1 Aan de bestreden beslissing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat appellante heeft nagelaten de verzochte informatie over het voorgenomen telecommunicatie-project, de haalbaarheid, de geplande investeringen en bankgarantie, eventuele partnerschapsovereenkomsten, het MER-onderzoek, de aan te leggen telecommunicatie-infrastructuur alsmede het beheer en onderhoud daarvan, in te dienen. Verweerder heeft appellante bij brief van 8 maart 2019 uitdrukkelijk om deze informatie verzocht. Nu zij de benodigde informatie en documenten niet heeft verstrekt, heeft verweerder haar aanvraag buiten behandeling gelaten. 1.2.2 In onderhavige procedure heeft verweerder het volgende betoogd. Appellante wenst een onderzeese glasvezelkabelinfrastructuur (zeekabel) aan te leggen en te exploiteren om daarmee internationale telecommunicatiediensten aan te bieden. Het enige bedrijf in Aruba dat tot nu toe over zeekabels beschikt, is Setar. Setar heeft de zeekabels, die oorspronkelijk door het Land zijn aangelegd en geëxploiteerd, verkregen/geërfd bij de privatisering van de telecommunicatie. De concessies betreffende de zeekabels werden geacht deel uit te maken van de internationale communicatiediensten van Setar. Van een ongelijke behandeling van appellante is dan ook geen sprake. De wet- en regelgeving betreffende telecommunicatie is sterk verouderd en dient aan de tijd en modernisering te worden aangepast. In afwachting hiervan heeft verweerder in 2018/2019 met behulp van externe deskundigen beleid ontwikkeld. Het beleid geldt ook voor Setar. Met appellante zijn verschillende gesprekken gevoerd, waarbij haar is verzocht om nadere informatie te verstrekken. Verweerder heeft haar in de gelegenheid gesteld om in de periode van maart tot augustus 2019 bedoelde aanvullende informatie te verstrekken. Het staat het bestuursorgaan vrij om nadere informatie aan een aanvrager van een concessie te verzoeken, en het is niet aan die aanvrager om te bepalen welke informatie wel of niet noodzakelijk is. Daarbij geldt dat het voor de hand ligt dat nieuwe ontwikkelingen in acht worden genomen en worden betrokken in de beoordeling door het bestuursorgaan. Appellante heeft nog niet aan alle gestelde vereisten en voorwaarden voldaan. Het geschil 2. Tussen partijen is in geschil, of verweerder op goede gronden heeft besloten de aanvraag van appellante om een concessie voor het mogen aanbieden van internationale telecommunicatiediensten (ten behoeve van het verkrijgen van ‘landing rights’), niet verder te behandelen. Bij de beoordeling neemt het gerecht het volgende in aanmerking. Feiten 3.1 Appellante heeft bij aanvraagformulier concessie, ingediend op 13 mei 2016, verzocht om een concessie voor het mogen aanbieden van internationale telecommunicatiediensten (ten behoeve van het verkrijgen van ‘landing rights’). In die aanvraag heeft appellante verwezen naar de bijlagen bij de aanvraag voor een concessie voor het aanleggen, in stand houden en exploiteren van een vast openbaar telecommunicatienetwerk, die zij op dezelfde datum heeft ingediend. 3.2 In maart 2006 heeft het Land zijn internationaal telecommunicatiebeleid bekend gemaakt. In november 2018 heeft het Land beleid gemaakt, voor het laten landen van onderzeese glasvezelkabels op Aruba. 3.3 Bij brief van 8 maart 2019 heeft verweerder appellante – voor zover hier van belang- het volgende bericht: " (…) In mei 2016 heeft Digicel een tweetal concessieaanvragen ingediend (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.