← Nederland

ECLI:NL:OGEAA:2021:685

Uitspraak van 6 december 2021 Lar nr. AUA202100700 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA UITSPRAAK op het beroep in de zin van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van: [Appellante], wonend in Aruba, APPELLANTE procederend in persoon, gericht tegen: DE MINITER VAN SOCIALE ZAKEN EN ARBEID, zetelend in Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: mr. Y.F.M. Kaarsbaan (DWJZ). PROCESVERLOOP Bij onderscheiden beschikkingen van 5 juni 2019 heeft verweerder de beschikking waarbij de bijstand aan appellante met ingang van december 2018 werd verhoogd ingetrokken, de bijstand aan appellante met ingang van mei 2019 beëindigd, en aan haar medegedeeld dat zij een schuld van Afl. 3.840,- heeft. Bij beschikking van 4 februari 2021 heeft verweerder het daartegen door appellante op 9 juli 2019 gemaakte bezwaar buiten behandeling gesteld. Daartegen heeft appellante op 15 maart 2021 beroep ingesteld bij het gerecht. Verweerder heeft op 5 juli 2021 een verweerschrift ingediend. Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 oktober 2021, waar appellante in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde, zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op heden. OVERWEGINGEN

  1. Aan de beschikking van 4 februari 2021 heeft verweerder ten grondslag gelegd het tijdsverloop sinds het indienen van het bezwaarschrift door appellante.
  2. Appellante betoogt dat verweerder ten onrechte haar bezwaar buiten behandeling heeft gesteld. Zij voert verder aan dat verweerder ten onrechte haar bijstand heeft stopgezet en ingetrokken en dus ook ten onrechte aan haar heeft medegedeeld dat zij een schuld heeft. Verweerder heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het gezinsinkomen boven het normbedrag uitkomt, aldus appellante. 2.1 Dit betoog slaagt. Appellante heeft het bezwaarschrift tijdig ingediend, en heeft daarin de gronden waarop het bezwaar berust vermeld. Ook overigens voldoet het bezwaarschrift aan de daaraan te stellen vereisten, nog daargelaten dat verweerder aan de beschikking van 4 februari 2021 niet ten grondslag heeft gelegd dat niet is voldaan aan enig vereiste en dat appellante, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, dat verzuim niet heeft hersteld. Aldus is er geen grond voor verweerder om af te zien van een heroverweging van de beschikkingen van 5 juni
  3. Dat verweerder heeft nagelaten tijdig op het bezwaar te beslissen, waardoor tussen het indienen van het bezwaarschrift en de beslissing op bezwaar geruime tijd is verstreken, ontslaat verweerder niet van die verplichting.
  4. Appellante betoogt dat zij 19 maanden heeft moeten wachten op een beschikking op haar bezwaar, waarbij bovendien geen inhoudelijke heroverweging is gegeven, en dat zij gedurende al die tijd van bijstand verstoken is geweest. Het gerecht begrijpt dat appellante hiermee een beroep doet op overschrijding van de redelijke termijn. 3.1 Vaststaat dat appellante op 9 juli 2019 bezwaar heeft gemaakt tegen de onderscheiden beschikkingen van 5 juni
  5. Bij uitspraak van heden beslist het gerecht op het tegen de beschikking op het aldus gemaakte bezwaar ingestelde beroep. De behandeling van het bezwaar en beroep heeft daarmee twee jaar en vijf maanden geduurd. De redelijke termijn is dus met vijf maanden overschreden en dat komt, gelet op het tijdsverloop tussen de beschikkingen van 5 juni 2019 en de beschikking van 4 februari 2021, geheel voor rekening van verweerder. Verweerder moet daarom worden veroordeeld tot vergoeding van door appellante geleden immateriële schade van Afl. 500,-.
  6. Het beroep is gegrond. De beschikking van 4 februari 2021 dient te worden vernietigd. Verweerder dient een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellante, met inachtneming van deze uitspraak.
  7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De rechter in dit gerecht: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de beschikking van 4 februari 2021; bepaalt dat verweerder binnen drie maanden na dagtekening van deze uitspraak een nieuwe beslissing dient te nemen op het bezwaar van appellante met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt verweerder om aan appellante een vergoeding van immateriële schade van Afl. 500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn te betalen; gelast dat het door appellante gestorte griffierecht van Afl. 25,- aan haar wordt terugbetaald. Deze beslissing is gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, rechter in dit gerecht, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 6 december 2021, in aanwezigheid van de griffier. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (LAR-zaken). Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij de griffie van dit Gerecht. U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:
  8. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
  9. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende: a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde, b. de dag van ondertekening, c. waartegen u in hoger beroep komt, d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep). Voor het instellen van hoger beroep is een griffierecht van Afl. 75 verschuldigd.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.