Uitspraak van 4 mei 2022 Lar nr. AUA202200976 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA UITSPRAAK op het verzoek in de zin van artikel 54 van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van: [Verzoeker], verblijvend in Aruba, VERZOEKER, gemachtigde: J.J.C. Odor, LL.M., gericht tegen: DE MINISTER VAN JUSTITIE EN SOCIALE ZAKEN, zetelend te Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: mr. A.F.J. Caster (DWJZ). PROCESVERLOOP Bij bevelschrift van 5 april 2022 heeft verweerder de uitzetting van verzoeker bevolen (hierna: het bestreden uitzettingsbevel). Tegen deze beschikking heeft verzoeker op 7 april 2022 bezwaar gemaakt. Op 8 april 2022 heeft verzoeker tevens bij dit gerecht een verzoekschrift als bedoeld in artikel 54 van de Lar ingediend. Het verzoek is behandeld ter zitting van 13 april
- Verzoeker is (via videoverbinding) verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde voornoemd. De uitspraak is bepaald op heden. OVERWEGINGEN De ontvankelijkheid 1.1 Voor zover hier van belang kan, ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Lar, indien krachtens deze landsverordening een bezwaarschrift aanhangig is, de indiener daarvan aan het gerecht verzoeken om de bestreden beschikking te schorsen op grond, dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang. 1.2 Het gerecht constateert dat in deze een bezwaarschrift aanhangig is, zodat aan de formele connexiteit is voldaan. Verzoeker kan dan ook worden ontvangen in zijn verzoek. De standpunten van partijen 2.1 Aan het bestreden uitzettingsbevel heeft verweerder ten grondslag gelegd dat verzoeker op 22 december 2009 als toerist Aruba is binnengekomen met een toegestane verblijfsduur van 14 dagen, dat hij hierna niet is vertrokken, dat hij geen verblijfsvergunning heeft aangevraagd, en dat hij sinds 6 januari 2010 zonder een geldige verblijfstitel alhier verblijft. Verder is overwogen dat zijn illegale verblijf niet behoeft te worden gedoogd, en dat er geen grond is om verzoeker nog langer illegaal in Aruba te laten verblijven. 2.2 Het verzoek strekt tot schorsing van het bestreden uitzettingsbevel, opdat verzoeker een beslissing op zijn bezwaar alhier mag afwachten. Verzoeker heeft met een beroep op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zich – naar het gerecht begrijpt – op het standpunt gesteld dat het bestreden uitzettingsbevel een ongerechtvaardigde inbreuk maakt op het “effective family life” dat hij hier met zijn vriendin en hun kinderen heeft, en daarom in bezwaar zal worden vernietigd. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij een langdurige affectieve relatie heeft met mevrouw [persoon X], van Colombiaanse nationaliteit, die in het bezit is van een vergunning voor onbepaalde tijd. Zij wonen samen en zij zijn ouders van drie minderjarige kinderen, die hier naar school gaan. Verzoeker voert voorts aan dat hij inmiddels, op 6 of 7 april 2022 een aanvraag heeft ingediend ter verkrijging van een vergunning tot tijdelijk verblijf. Onder deze omstandigheden zal, gelet op artikel 8 EVRM en de hardheidsclausule, de minister van Integratie gehouden zijn hem tot verblijf in Aruba toe te laten. Hieruit volgt automatisch dat hij en zijn gezin bij de onmiddellijke uitvoering van het bestreden uitzettingsbevel onevenredig nadeel zullen ondervinden, aldus verzoeker. Het geschil 3.1 Ter beantwoording ligt voor de vraag of de uitvoering van het bestreden uitzettingsbevel voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang. 3.2 Het gerecht stelt hierbij voorop dat dit oordeel een voorlopig karakter heeft en niet bindend is in de bodemprocedure, en dat voor het schorsen van de bestreden beschikking dan wel het treffen van een voorlopige voorziening aanleiding is indien een aanmerkelijke kans bestaat dat de bestreden beschikking in bezwaar geen stand zal houden. 3.3 Het gerecht neemt daarbij het volgende in aanmerking. Het wettelijk kader 4.1 Ingevolge artikel 6, eerste lid van de Landsverordening toelating en uitzetting (Ltu), wordt, behalve in de artikelen 1 en 3 vermelde personen, niemand in Aruba toegelaten zonder een vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf. 4.2 Ingevolge artikel 7, eerste lid van de Ltu wordt – voor over hier van belang – een vergunning tot tijdelijk verblijf verleend door of namens de minister, belast met het vreemdelingen- en integratiebeleid. 4.3 Ingevolge artikel 15, eerste lid, onder sub d van de Landsverordening toelating en uitzetting (Ltu) kunnen – voor zover hier van belang – uitgezet worden personen, die tot tijdelijk verblijf werden toegelaten, nadat de geldigheidsduur van hun tijdelijke verblijfsvergunning is verstreken. Ingevolge het tweede lid geschiedt de uitzetting krachtens een met redenen omkleed bevelschrift van de minister, belast met justitiële aangelegenheden, houdende het bevel Aruba binnen een daarbij te bepalen termijn te verlaten. De feiten 5.1 Verzoeker, geboren op [geboortedatum] 1992 in Colombia, is op 22 december 2009 Aruba binnengekomen als toerist met een toegestane verblijfsduur van veertien dagen. 5.2 Verzoeker is na het verstrijken van zijn toeristisch verblijf niet vertrokken. 5.3 Verzoeker is de biologische vader van drie thans nog minderjarige in Aruba geboren kinderen. De moeder van de kinderen is van Colombiaanse nationaliteit. Zij heeft een vergunning tot verblijf in Aruba. 5.4 Bij de bestreden beschikking van 5 april 2022 heeft verweerder de uitzetting van verzoeker bevolen en hem een periode van niet-toelating van 96 maanden opgelegd. De beoordeling 6.1 Het gerecht overweegt dat, nu verzoeker na het verlopen van de geldigheidsduur van zijn toeristisch verblijf zonder geldige verblijfstitel alhier is aangetroffen, zich de in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, van de Ltu vermelde grond voor uitzetting voordoet, zodat verweerder bevoegd is verzoeker uit te zetten. 6.2 Het gerecht begrijpt het beroep van verzoeker op de hardheidsclausule en artikel 8 EVRM aldus, dat hij betoogt dat concreet zicht bestaat op legalisering van zijn (illegaal) verblijf, zodat verweerder in redelijkheid van voornoemde bevoegdheid geen gebruik heeft mogen maken. Dit, omdat hij – naar eigen zeggen – op 6 dan wel 7april 2022, in ieder geval nadat jegens hem reeds het bestreden uitzettingsbevel was uitgevaardigd, een aanvraag om een vergunning tot tijdelijk verblijf heeft ingediend en deze aanvraag zal moeten worden toegewezen gelet op zijn omstandigheden. 6.3 Dit betoog faalt. Nu verzoeker vanaf 6 januari 2010 tot 5 april 2022 illegaal in Aruba heeft verbleven en hij op laatstgenoemde datum ook geen vergunningsaanvragen lopende had, heeft verweerder in redelijkheid gebruik mogen maken van zijn bevoegdheid om de uitzetting van verzoeker te bevelen. Daar doet de enkele omstandigheid dat verzoeker later een vergunning tot tijdelijk verblijf heeft aangevraagd, waarbij hij een beroep op de hardheidsclausule en artikel 8 EVRM heeft gedaan, niet aan af. Te meer nu niet op voorhand vast staat dat de minister, belast met belast met het vreemdelingen- en integratiebeleid gehouden is de verzochte verblijfsvergunning aan verzoeker te verlenen. Daar weegt mee, dat in 2017 en in 2018 vergunningsaanvragen van verzoeker zijn afgewezen. Verder is niet gebleken dat verzoeker gehuwd is met zijn partner of dat zij een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan. Evenmin is uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat verzoeker zijn biologische kinderen heeft erkend, of dat hij mede het ouderlijk gezag over hen uitoefent. Tenslotte overweegt het gerecht dat hoewel verzoeker recht heeft op family life, het op voorhand niet vast staat dat hij dat recht (op family life met zijn Colombiaanse partner en Colombiaanse kinderen), uitsluitend in Aruba kan uitoefenen. Ook overigens is niet gebleken dat de onmiddellijke uitvoering van het bestreden uitzettingsbevel onevenredig nadeel voor verzoeker met zich brengt in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang.
- Gelet op het vorenstaande is er geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen grond. BESLISSING De rechter in dit gerecht: - wijst het verzoek af. Deze beslissing is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 mei 2022 in aanwezigheid van de griffier. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.