Uitspraak van 13 april 2022 Lar nr. AUA202200728 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA UITSPRAAK op het verzoek in de zin van artikel 54 van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van: [Verzoeker], verblijvend in Aruba, VERZOEKER, gemachtigde: drs. M.L. Hassell, gericht tegen: DE MINISTER VAN ARBEID, INTEGRATIE EN ENERGIE, zetelend in Aruba, VERWEERDER, gemachtigden: J.M. Harewood (DIMAS) en mr. V.M. Emerencia (DWJZ). PROCESVERLOOP Bij beschikking van 13 januari 2020 (bestreden beschikking) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker buiten behandeling gesteld. Hiertegen heeft verzoeker op 19 maart 2022 bezwaar gemaakt. Op 21 maart 2022 heeft verzoeker bij dit gerecht een verzoekschrift in de zin van artikel 54 van de Lar ingediend. Het verzoek is behandeld ter zitting van 30 maart 2022, waar zijn verschenen verzoeker bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd, en verweerder bij de gemachtigden voornoemd. De uitspraak is bepaald op heden. OVERWEGINGEN Het wettelijk kader 1.1 Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Lar, kan, indien krachtens deze landsverordening een bezwaar- of beroepschrift aanhangig is, de indiener daarvan aan het gerecht verzoeken om de bestreden beschikking onderscheidenlijk beslissing op het bezwaarschrift te schorsen op grond, dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang. Ingevolge het tweede lid kan ter voorkoming van nadeel als bedoeld in het eerste lid, op het verzoek van de indiener ook een voorlopige voorziening worden getroffen. 1.2 Ingevolge artikel 19c van het Toelatingsbesluit kan een verzoek tot het toekennen van een bijzondere status of bescherming, als bedoeld in artikel 19, eerste lid, buiten behandeling worden gesteld, indien: a. de toelatingsplichtige heeft nagelaten te antwoorden op verzoeken om informatie te verstrekken die van wezenlijk belang is voor de behandeling van zijn verzoek; b. de toelatingsplichtige niet is verschenen bij een gehoor en hij niet binnen een termijn van twee weken heeft aangetoond dat dit niet aan hem is toe te rekenen, of c. de toelatingsplichtige is verdwenen of zonder toestemming van de Minister is vertrokken en hierover toerekenbaar niet binnen een termijn van twee weken contact heeft opgenomen met de bevoegde autoriteiten in Aruba. De relevante feiten 2.1 Verzoeker, van Venezolaanse nationaliteit, is op 4 april 2019 Aruba binnengekomen als toerist. 2.2 Op 8 april 2019 heeft verzoeker een asielaanvraag bij het Departamento di Integracion, Maneho y Admision di Stranhero (DIMAS) ingediend. Daarbij heeft verzoeker contactgegevens opgegeven waarop hij bereikbaar is aangaande zijn asielaanvraag. 2.3 Op 3 oktober 2019 heeft de minister belast met Justitie aan verzoeker een meldplicht opgelegd om zich dagelijks ten kantore van de Afdeling vreemdelingetoezicht (Guarda Nos Costa) te melden, in het kader van toezicht op vreemdelingen, dan wel grenscontrole, controle van verblijfsstatus of met het oog op verwijdering. 2.4 Bij de bestreden beschikking heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker buiten behandeling gesteld. Daartoe heeft verweerder onder meer overwogen: “Om uw aanvraag af te ronden hebben wij meer informatie van u nodig. U zou gehoord worden om de benodigde informatie te verschaffen. U bent echter niet op bovengenoemde datum verschenen bij de DIMAS. Telefonisch is er geprobeerd contact met u op te nemen. Daarnaast is er ook via mail contact met u gezocht, indien deze is opgegeven bij de DIMAS. Er is echter geen gehoor gegeven aan de pogingen om u te bereiken.” De beoordeling 3.1 Het oordeel van het gerecht heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 3.2 Het verzoek strekt tot schorsing van de bestreden beschikking en te bepalen dat verzoeker de beslissing op het bezwaar in Aruba mag afwachten. Aan dat verzoek legt verzoeker ten grondslag dat verweerder de asielaanvraag ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld. 3.3 Aan de buitenbehandelingstelling heeft verweerder ten grondslag gelegd dat verzoeker niet is verschenen bij het gehoor om nadere informatie te verstrekken en dat zowel per email als telefonisch tevergeefs geprobeerd is contact op te nemen met verzoeker voor het verstrekken van relevante informatie. 3.4 Verweerder voert het verweer dat het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening moet worden afgewezen, reeds omdat verzoeker het bezwaar tegen de bestreden beschikking na afloop van de termijn daarvoor heeft ingediend. Het gerecht overweegt als volgt. De bestreden beschikking is gedagtekend 13 januari 2020, zodat ingevolge artikel 11, eerste lid van de Lar de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift op 14 januari 2020 is aangevangen en op 24 februari 2020 is geëindigd. Het op 19 maart 2022 ingediende bezwaarschrift is dan ook buiten de bezwaartermijn ingediend. Ter zitting is genoegzaam gebleken dat verzoeker de bestreden beschikking na afloop van de bezwaartermijn heeft ontvangen, en wel op 23 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.