Uitspraak van 10 februari 2022 CVB nr. AUA202003055 COLLEGE VAN BEROEP UITSPRAAK op het beroep in de zin van de Landsverordening Ongevallenverzekering (LvOv) van: [Appellante], wonende in Aruba, APPELLANTE, procederende in persoon, tegen de beslissing van 11 november 2020 van DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK, gevestigd te Aruba, VERWEERDER, hierna te noemen de bank, gemachtigde: de advocaat mr. M.D. Tromp. PROCESVERLOOP Bij voornoemde beslissing van 11 november 2020 (hierna: de bestreden beslissing), door appellante ontvangen op 13 november 2020, heeft de bank besloten dat appellante geen tegemoetkoming krachtens de LvOV wordt toegekend in verband met arbeidsongeschiktheid wegens linkerknie klachten vanaf oktober 2020. Tegen de bestreden beslissing heeft appellante op 30 november 2020 beroep aangetekend. Op 19 februari 2021 heeft de bank een verweerschrift ingediend. Het beroep van appellante is op de bijeenkomst van 24 juni 2021 van dit College behandeld, waar zijn verschenen appellante in persoon, bijgestaan door [A] en voor de bank [B], juridisch adviseur, en drs. De Graaf, verzekeringsarts, bijgestaan door de advocaat voornoemd. OVERWEGINGEN Standpunten van partijen 1.1 Appellante kan zich niet verenigen met de beslissing van de bank en heeft zich daarbij -samengevat- op het standpunt gesteld dat de bank ten onrechte heeft beslist dat haar knieklachten in oktober 2020 niet het gevolg zijn van het bedrijfsongeval dat haar op 12 april 2019 is overkomen. Zij had vóór het ongeval geen knieklachten en heeft sindsdien een kijkoperatie moeten ondergaan vanwege de knieklachten. Dat zij een aangeboren discoide meniscus heeft, wil niet zeggen dat haar klachten daaraan te wijten zijn, nu zij pas klachten ondervond na het ongeval. Zij verzoekt het College de bestreden beslissing te vernietigen en te bepalen dat zij 100% van haar salaris uitbetaald zal krijgen, te vermeerderen met de wettelijke rente en vertragingsrente, en betoogt daarbij dat de bank de wet incorrect interpreteert, nu de 52 weken genoemd in artikel 5, tweede lid van de LvOv geaccumuleerde weken betreffen. 1.2 Aan de bestreden beslissing is ten grondslag gelegd dat er geen causaal verband kan worden vastgesteld tussen de knieklachten en verminderde belastbaarheid van appellante vanaf oktober 2020 en het ongeval dat haar op 12 april 2019 is overkomen. Ter onderbouwing hiervan heeft de bank aangevoerd dat appellante niet met voldoende medische gegevens haar standpunt, dat sprake is van causaal verband tussen het haar op 12 april 2019 overkomen ongeval en de klachten die zij sinds 27 juni 2020 na de kijkoperatie ondervindt, heeft onderbouwd. Uit de medische gegevens blijkt dat appellante een discoide meniscus heeft, hetgeen de pijnklachten kan verklaren. Verder heeft de bank aangevoerd, dat zelfs indien sprake zou zijn van causaal verband, appellante geen aanspraak kan maken op 100% van haar dagloon, nu de eerste 52 weken in oktober 2020 reeds zijn verstreken. De bank concludeert dat de bestreden beslissing op goede gronden is gestoeld en dat het beroep van appellante ongegrond moet worden verklaard. Het geschil 2. Ter beoordeling ligt voor de vraag of de bank op goede gronden heeft besloten dat er geen causaal verband bestaat tussen de knieklachten van appellante vanaf oktober 2020 en het haar op 12 april 2019 overkomen bedrijfsongeval. Bij de beoordeling neemt het College het volgende in aanmerking. De feiten 3.1 Appellante is op 12 april 2019 tijdens haar werk uitgeleden, kreeg hierdoor een linkerenkelvorming/distorsie en viel op haar linkerknie. Dit ongeval is bij de bank als bedrijfsongeval aangemeld. Appellante meldde zich op 14 april 2019 ziek bij de bank en vertelde dat zij sinds het ongeval niet meer heeft gewerkt vanwege pijn aan haar linkerknie en enkel. Zij vermeldde toen ook dat zij niet naar de SEH of huisarts is geweest en daarom geen medische verklaring met beschrijving van haar klachten, diagnose en behandeling kon overleggen. Appellante heeft 7 dagen na het ongeval haar werkzaamheden hervat en heeft zich niet meer ziek gemeld als gevolg van het ongeval. 3.2 Appellante heeft op 26 juni 2020 een arthroscopie ondergaan en heeft zich op 27 juni 2020 ziek gemeld bij de bank. Appellante werd vanwege aanhoudende klachten arbeidsongeschikt verklaard op grond van de Landsverordening ziekteverzekering, tot 21 september 2020. Op 28 september 2020 meldde appellante zich weer ziek en kreeg toen twee weken arbeidsongeschiktheid. 3.3 Op 11 september 2020 verzocht appellante (via haar echtgenoot) om een tegemoetkoming uit hoofde van de LvOv van 100% van haar loon, nu haar arbeidsongeschiktheid het gevolg is van het haar op 12 april 2019 overkomen arbeidsongeval. Op verzoek van de bank heeft zij informatie van haar huisarts en orthopedisch chirurg overgelegd. 3.4 De behandelend huisarts, Dr. A. Singh, heeft op vragen van de verzekeringsarts geantwoord, dat de appellante sinds april 2019 na een val knieklachten had, soms met slotklachten, en dat hij haar had doorverwezen naar een orthopeed. 3.5 De behandelende specialist van appellant, orthopeed Dr. Kuiken, heeft - voor zover hier van belang - het volgende geantwoord op de vragen van de verzekeringsarts van de bank op het formulier van 20 oktober 2020: “ (...) (Vraag) Welke pre-operatieve diagnose(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.