Vonnis van 29 juni 2022 Behorend bij A.R. nr. AUA202000473 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA VONNIS in de zaak van: de naamloze vennootschap Island Finance Aruba N.V., gevestigd te Aruba, eiseres, hierna: IFA, gemachtigde: mr. M.E.D. Brown, tegen: [GEDAAGDE], wonend te Aruba, gedaagde, hierna: [Gedaagde], gemachtigde: mr. M.O. Lopez. 1DE PROCEDURE 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - verzoekschrift met producties, ingekomen op 11 februari 2020, - akte vermindering van eis, - conclusie van antwoord, - conclusie van repliek, - conclusie van dupliek. 1.
- Vonnis is nader bepaald op vandaag. 2HET GESCHIL EN DE BEOORDELING DAARVAN 2.
- IFA vordert na vermindering van haar eis -samengevat- dat het gerecht [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van Afl. 12.430,77 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 2017 tot de dag van betaling en de proceskosten, de beslagkosten daarin begrepen. 2.
- IFA legt daaraan ten grondslag dat [gedaagde] tekort komt in de nakoming van de geldleningsovereenkomst die zij op 16 november 2012 met IFA heeft gesloten. De vermindering van eis van IFA is ingegeven door het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van 21 april 2020 (ECLI:NL:OGHACMB:2020:84), waarin het onder meer heeft overwogen dat in het geval van kredietverlening aan consumenten met een vaste baan voor een looptijd van een jaar of langer waarbij geen of louter persoonlijke zekerheden (zoals borgtocht) zijn bedongen kan worden aangenomen dat een APR hoger dan 27% nietig is wegens strijd met de Arubaanse goede zeden en openbare orde. 2.
- [ Gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord aangevoerd dat het verzoekschrift en de akte wijziging van eis onbegrijpelijk zijn, zij zich bij het aangaan van de geldleningsovereenkomst niet kon vinden in de door IFA toegepaste rente, maar dat zij akkoord is gegaan omdat het een noodsituatie betrof en dat het beslag niet beklijft. IFA heeft die verweren van [gedaagde] bij conclusie van repliek weerlegd. [Gedaagde] is daar vervolgens bij conclusie van dupliek niet meer op teruggekomen, zodat het gerecht er van uit gaat dat zij haar verweren heeft prijsgegeven. [Gedaagde] heeft bij die conclusie wel een nieuw verweer opgeworpen met betrekking tot de hoogte van de rente. Dat verweer is te laat gevoerd, nu IFA daar immers niet meer op heeft kunnen reageren. Het gerecht laat dat verweer van [gedaagde] daarom buiten beschouwing. 2.
- De slotsom is dat de gevorderde hoofdsom zal worden toegewezen, evenals de gevorderde wettelijke rente. Buitengerechtelijke incassokosten zijn door IFA niet gevorderd, zodat het gerecht daarover niet hoeft te beslissen. 2.
- Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] de proceskosten en de beslagkosten van IFA moeten vergoeden. DE UITSPRAAK Het gerecht: veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan IFA van een bedrag van Afl. 12.430,77, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 november 2017 tot de dag van betaling; veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, de beslagkosten daarin begrepen, aan de kant van IFA begroot op Afl. 3.603,-- waarvan Afl. 2.000,-- (2 punten, tarief 4) aan salaris gemachtigde; verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. van Voorthuizen, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 29 juni 2022 in aanwezigheid van de griffier.