Uitspraak van 21 september 2022 Lar nr. AUA202202597 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA UITSPRAAK op het verzoek in de zin van artikel 54 van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van: [Verzoeker], van Venezolaanse nationaliteit, VERZOEKER, gemachtigde: drs. M.L. Hassell, gericht tegen: DE MINISTER VAN ARBEID, ENERGIE EN INTEGRATIE, zetelend in Aruba, VERWEERDER. PROCESVERLOOP Verzoeker heeft op 24 oktober 2018 asiel aangevraagd. Bij beschikking van 6 juli 2022 (de bestreden beschikking) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker afgewezen. Hiertegen heeft verzoeker op 10 augustus 2022 bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft op 10 augustus 2022 onderhavig verzoekschrift ingediend. Het verzoek is behandeld ter zitting van 7 september 2022, waar zijn verschenen verzoeker bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder is, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschenen. De uitspraak is bepaald op heden. OVERWEGINGEN Wettelijk kader 1.1 Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Lar, kan, indien krachtens deze landsverordening een bezwaar- of beroepschrift aanhangig is, de indiener daarvan aan het gerecht verzoeken om de bestreden beschikking onderscheidenlijk beslissing op het bezwaarschrift te schorsen op grond, dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang. Ingevolge het tweede lid kan ter voorkoming van nadeel als bedoeld in het eerste lid, op het verzoek van de indiener ook een voorlopige voorziening worden getroffen. 1.2 Op grond van artikel 1A, aanhef en ten tweede, van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag), aangepast bij het Protocol van New York, wordt als ‘vluchteling’ aangemerkt elke persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen, of die, indien hij geen nationaliteit bezit en ten gevolge van bovenbedoelde gebeurtenissen verblijft buiten het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, daarheen niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil terugkeren. 1.3 Op grond van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. De feiten 2.1 Verzoeker, geboren op [geboortedatum] 1979 in Venezuela en van Venezolaanse nationaliteit, is op 12 februari 2017 als toerist Aruba binnengekomen met een toegestane verblijfsduur van 30 dagen. Hierna is verzoeker niet vertrokken. 2.2 Verzoeker heeft op 24 oktober 2018 een asielaanvraag ingediend. Naar aanleiding van dit asielverzoek is verzoeker op 22 juli 2019 gehoord door de daartoe bevoegde ambtenaren. Van deze interviews zijn gespreksverslagen opgemaakt. 2.3 Zoals hiervoor is vermeld, heeft verweerder de asielaanvraag op 6 juli 2022 afgewezen. De standpunten van partijen 3.1 Het verzoek strekt ertoe dat het gerecht bij wijze van voorlopige voorziening zal bepalen dat verzoeker hangende de bezwaarprocedure tegen de bestreden beslissing, in Aruba mag verblijven. Daartoe betoogt verzoeker dat hij gegronde vrees voor vervolging heeft in zijn land van herkomst, en dat de bestreden beschikking onzorgvuldig tot stand is gekomen en niet op goede grond is gestoeld. 3.2 Bij de bestreden beschikking heeft verweerder het asielverzoek van verzoeker afgewezen. Aan deze beschikking heeft verweerder, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat verzoeker niet aangemerkt kan worden als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Hiertoe heeft verweerder onder meer in aanmerking genomen: - dat is gebleken dat zijn beroep op een andere reden een commuun delict betreft datgeen raakvlakken heeft met de bepalingen van het vluchtelingenverdrag; - dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een actor van vervolging is en derhalve niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft voor deze actor; - dat niet is gebleken dat verzoeker in Venezuela geen beschermings- of realocatiemogelijkheden heeft. Daarnaast heeft verweerder het relaas van verzoeker op onderdelen niet geloofwaardig geacht. Volgens verweerder heeft verzoeker tevens niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Venezuela zal worden onderworpen aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. Het geschil
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.