← Nederland

ECLI:NL:OGEAA:2022:35

Vonnis van 19 januari 2022 Behorend bij AUA202101520 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA VONNIS in de zaak van: [eiser], wonende in Aruba, eiser, hierna ook te noemen: [eiser], gemachtigde: de advocaat mr. V.A.V. Carlo, tegen: [gedaagde], wonende te Aruba, gedaagde, hierna ook te noemen: [gedaagde], procederende in persoon. 1DE PROCEDURE Het verloop van de procedure tot en met 13 oktober 2021 blijkt uit het tussenvonnis van die datum, waarin een comparitie van partijen is gelast. Het vervolg van de procedure blijkt uit: - twee e-mails van 6 december 2021 van [eiser] met producties; - de comparitie van partijen van 15 december 2021, waar [eiser] is verschenen bij zijn gemachtigde en waar [gedaagde] niet is verschenen. 2DE VASTSTAANDE FEITEN 2.1 [ gedaagde] heeft een op 10 januari 2017 gedateerde onderhandse akte ondertekend waarin zij verklaart een bedrag van Afl. 14.070,25 verschuldigd te zijn aan [eiser]. Onderaan de akte is het bedrag met de hand geschreven. In de akte is voorts verklaard dat [gedaagde] de schuld zal aflossen in maandelijkse termijnen van minimaal Afl. 100,

  1. In de akte is verder nog opgenomen dat (onder meer) bij het niet voldoen van de maandelijkse aflossingen de dan openstaande schuld geheel opeisbaar is en dat dan een rente verschuldigd is van 1,5% per maand. Ook is bepaald dat de kosten voor de buitengerechtelijke incasso van de vordering ten laste van [gedaagde] komen. 2.2 De schuldbekentenis betreft een huurschuld van [gedaagde] aan [eiser]. 2.3 Bij brief van 2 maart 2021 (verzoekschrift, prod. 5) heeft de gemachtigde van [eiser] aan [gedaagde] medegedeeld dat zij tekort is geschoten in de nakoming van haar aflossingsverplichting en is zij gesommeerd om de openstaande hoofdsom, te vermeerderen met de overeengekomen incassokosten binnen 14 dagen te voldoen. 3DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN 3.1 [ eiser] vordert dat het gerecht bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen het bedrag van Afl. 11.870,25, te vermeerderen met Afl. 1.780,53 aan overeengekomen incassokosten en voorts te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 17 maart
  2. 3.2 Aan zijn vordering legt [eiser] het volgende ten grondslag. Op grond van de schuldbekentenis van 10 januari 2017 is [gedaagde] een bedrag verschuldigd van Afl. 14.070,
  3. [gedaagde] heeft nadien in termijnen een bedrag van Afl. 2.100,00 in mindering betaald, zodat een hoofdsom resteert van Afl. 11.870,
  4. Zij voldoet niet aan haar verplichting om maandelijks een aflossing van minimaal Afl. 100,00 te voldoen, zodat de vordering thans ineens opeisbaar is. 3.3 [ gedaagde] voert hiertegen verweer. Zij stelt dat zij bereid is de schuld te voldoen, maar dat zij ten gevolge van de Covid-pandemie onvoldoende inkomsten heeft om, naast haar vaste maandelijkse lasten, haar schuld te voldoen. Uit een door haar overgelegd overzicht van haar maandelijkse lasten, volgt - indien dat overzicht juist is - dat zij in totaal voor een bedrag van Afl. 18.520,00 aan maandelijkse lasten heeft. 4DE BEOORDELING 4.1 Voorop staat dat eventuele betalingsonmacht van de zijde van [gedaagde] voor haar risico komt en dus niet aan toewijzing van de vordering in de weg staat. Door [gedaagde] is niet betwist dat zij de schuldbekentenis heeft ondertekend en ook de juistheid van het daarin genoemde bedrag is niet betwist. Het gerecht neemt dan ook als vaststaand aan dat [gedaagde] oorspronkelijk Afl. 14.070,25 verschuldigd was aan [eiser]. Voort heeft [gedaagde] niet betwist dat zij in totaal nadien Afl. 2.100,00 aan aflossingen heeft betaald. Daaruit volgt dat zij nog een hoofdsom is verschuldigd van Afl. 11.970,
  5. Het gevorderde bedrag is daarmee toewijsbaar. 4.2 Van de zijde van [eiser] zijn onvoldoende feiten gesteld waaruit volgt dat er kosten zijn gemaakt om tot een buitengerechtelijke incasso van de vordering te komen. De twee e-mails die [eiser] zelf aan [gedaagde] heeft verzonden (verzoekschrift, prod. 4) zijn daartoe onvoldoende. De door de gemachtigde verzonden brief van 2 maart 2021 moet worden beschouwd als een voorbereiding van de procedure, waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te sluiten. 4.3 De gevorderde wettelijke rente met ingang van 17 maart 2021 is toewijsbaar, nu de sommatiebrief van 2 maart 2021 meebrengt dat [gedaagde] in ieder geval sinds 17 maart 2021 in verzuim is. 4.4 [ gedaagde] zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure, welke aan de zijde van [eiser] worden begroot op Afl. 750,00 aan griffierecht, op Afl. 421,38 aan explootkosten en op Afl. 2.000,00 aan salaris voor gemachtigde. 5DE UITSPRAAK De rechter in dit gerecht: 5.1 veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen het bedrag van Afl. 11.870,25, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 17 maart 2021; 5.2 veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, die aan de zijde van [eiser] worden begroot op Afl. 2.000,00; 5.3 verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 5.4 wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Verhoeven, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 19 januari 2022 in aanwezigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.