Uitspraak van 22 februari 2022 BBZ nr. AUA201100013 (voorheen RvBB50529) GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA UITSPRAAK op het beroep in de zin van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken van: [Belanghebbende], gevestigd te Aruba, belanghebbende, gericht tegen: DE INSPECTEUR DER INVOERRECHTEN EN ACCIJNZEN, zetelend te Aruba, de Inspecteur. 1PROCESVERLOOP 1.1 Aan belanghebbende is op 26 juli 2010 een (op 9 juli 2010 gedagtekende) uitnodiging tot betaling (hierna: UTB) uitgereikt, strekkende tot betaling van Afl. 8.086,92 aan invoerrechten en Afl. 242.298,00 aan accijnzen ter zake van de ontvangst c.q. invoer van zendingen sterke drank (gedistilleerd) in de periode van november 2004 tot en met maart 2005. 1.2 Belanghebbende is op 24 augustus 2010 tijdig in bezwaar gekomen tegen de heffing van invoerrechten en accijnzen. Bij uitspraak, gedagtekend 6 september 2010, heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.3 Belanghebbende is op 1 juni 2011 tegen deze uitspraak in beroep gekomen. Het beroep is aangevuld bij schrijven van 6 juni 2011. 1.4. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5 De Raad van beroep voor belastingzaken (hierna: de Raad) heeft op 1 september 2014 een tussenuitspraak gedaan. De Raad heeft in zijn beslissing vermeld dat de Inspecteur zes weken de tijd krijgt om toelichting te geven op de door hem overgelegde stukken, en aan belanghebbende is de gelegenheid geboden om daarna binnen twaalf weken hierop te reageren. Bij brief van 15 oktober 2014 heeft de Inspecteur toelichting gegeven op de door hem ingebrachte stukken. 1.6 De griffie is kennelijk ervan uitgegaan dat met de uitspraak van de Raad de zaak was afgedaan. Op het dossier is een stempelafdruk met het woord ‘afgeboekt’ te zien. Het dossier is vervolgens naar het archief gestuurd. 1.7 De toelichting van de Inspecteur is door het Gerecht op 5 augustus 2020 aan belanghebbende verstrekt. Daarbij is hij in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken daarop te reageren. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. 1.8 Een nadere zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2021 te Oranjestad, Aruba. Namens belanghebbende is verschenen [A]. Namens de Inspecteur zijn verschenen [B], [C] en [D]. Belanghebbende heeft een pleitnota voorgedragen en ingebracht. Het Gerecht heeft het onderzoek gesloten. 2UITSPRAAK RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN 2.1 In de tussenuitspraak van 1 september 2014 (ECLI:NL:ORBBACM:2014:30) heeft de Raad geoordeeld dat belanghebbende terecht in zijn bezwaar tegen de uitnodiging tot betaling (UTB) is ontvangen, dat de Inspecteur op basis van artikel 218 Landsverordening in-, uit- en doorvoer (LIUD) bevoegd is de ter zake van invoer ontdoken invoerrechten en accijnzen na te vorderen en dat de navordering niet onaanvaardbaar laat is. 2.2 Het Gerecht zal slechts in uitzonderlijke gevallen terugkomen van een in een tussenuitspraak gegeven oordeel. Van een uitzonderlijk geval is in dit geval niet gebleken, zodat de in de tussenuitspraak gegeven oordelen als eindbeslissingen kunnen worden opgevat. 2.3 In de tussenuitspraak heeft de Raad voor wat betreft het materiele geschilpunt in 6.24 overwogen dat met betrekking tot de vraag of sprake is van ontduiking van invoerrechten en accijnzen en zo ja welke bedragen ter zake van belanghebbende kunnen worden nagevorderd, het partijdebat nog niet voldoende is gevoerd. Partijen zijn om die reden door de Raad in de gelegenheid gesteld om hun standpunten te onderbouwen. Hierna zal het Gerecht het materiele geschilpunt behandelen. 3FEITEN Het Gerecht neemt de door de Raad vastgestelde feiten (3.1 t/m 3.5) als vaststaand over en vult deze feiten aan (3.6 t/m 3.9). 3.1 Belanghebbende is op 16 maart 2005 aangehouden en in verzekering gesteld vanwege (onder meer) een verdenking van het medeplegen van overtreding van artikel 223a LIUD, te weten het hebben ontvangen van vier zendingen gedistilleerde dranken - op 5 november 2004, 11 november 2004, 21 januari 2005 en 11 februari 2005 - waarover geen invoerrechten en accijnzen waren betaald. Belanghebbende is op 18 maart 2005 weer op vrije voeten gesteld. Op 24 maart 2005 is een proces-verbaal afgerond waarin naast belanghebbende nog twee andere verdachten naar voren komen. 3.2 Met dagtekening 14 juli 2009 heeft de officier van justitie (hierna: OvJ) aan belanghebbende geschreven dat hij na bestudering van het dossier van mening is dat er in beginsel voldoende bewijs is om belanghebbende te dagvaarden, doch dat hij gelet op het tijdsverloop bereid is van verdere vervolging af te zien en de zaak te seponeren, indien belanghebbende ‘de aan de Douane verschuldigde invoerrechten en accijnzen ter waarde van AWG 250.384,92 voldoet, zoals aangegeven op de bijgevoegde berekening van de Douane.’ De brief vervolgt met de mededeling dat belanghebbende tot 11 augustus 2009 de tijd heeft om het verschuldigde bedrag aan de Douane te voldoen dan wel om met de Douane een betalingsregeling te treffen en dat, als dat niet gebeurt ‘na 11 augustus 2009 tot dagvaarding (zal) worden overgegaan’. Bij de brief is gevoegd een ‘Overzicht opsomming vermoedelijk ontdoken bedrag aan Invoerrechten en Accijnzen door de rechtspersonen [T] N.V. & [DT]’. Daarop staan vermeld de hiervoor genoemde vier zendingen sterke dranken vanaf begin november 2004 tot medio februari 2005, vanuit Port Everglades naar Aruba. 3.3 Belanghebbende heeft het genoemde bedrag niet voldaan en heeft ter zake ook geen betalingsregeling getroffen. De OvJ is niet tot dagvaarding van belanghebbende overgegaan. 3.4 Op 26 juli 2010 is de onderhavige UTB aan belanghebbende uitgereikt. Daarin is onder meer vermeld: “dat vast staat dat u de zendingen sterke dranken, zoals gespecificeerd in voormelde beschikking (Gerecht: de brief van de OvJ van 14 juli 2009), heeft ontvangen c.q. ingevoerd, en de voorgeschreven aangifte ten invoer niet werd gedaan en ook geen rechten werden betaald. (...) Destijds heeft de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen u desgevraagd verwezen naar de Ontvanger der Belastingen om tot een betalingsregeling te komen. Tot heden heeft u het hierboven genoemde bedrag aan rechten net betaald. Dit betekent dat u een openstaande belastingschuld heeft. Op grond van hetgeen [is] bepaald in artikel 2 lid 2 en artikel 122 lid 1 (LIUD) en artikel 11 van de Landsverordening accijns op gedistilleerd en van de boven aangehaalde feiten, is het bedrijf [belanghebbende] een totaalbedrag van Afl. 8.086,92 aan Invoerrechten en Afl. 242.298,00 aan Accijns op gedistilleerd verschuldigd.” 3.5 In zijn bezwaar- en beroepschrift heeft belanghebbende betwist de vier zendingen gedistilleerd te hebben ontvangen. 3.6 Tot de gedingstukken behoort een overzicht waarin de volgende gegevens van de voormelde zendingen zijn opgenomen: Aantal dozen Vertrekdatum Container Factuur Verkoper Verschuldigde Accijnzen Verschuldigde Invoerrechten 465 5 november 2004 TCKU 941873-3 0012137-IN SMT Duty Free, Inc 86.103 3.612,82 286 11 november 2004 FSCU 305383-1 0012285-IN SMT Duty Free, Inc 58.131 1.432,82 194 21 januari 2005 GSTU 339986-2 0012772-IN SMT Duty Free, Inc 40.230 804,60 299 11 februari 2005 GSTU 421770-4 0012907-IN SMT Duty Free, Inc 57.834 2.236,68 1244 Awg. 242.298 Awg. 8.086,92 3.7 Deze zendingen hebben betrekking op goederen (sterke drank) die door belanghebbende in de Verenigde Staten bij het bedrijf ‘SMT Duty Free Inc’ (hierna: verkoper) zijn gekocht. Voor de douaneformaliteiten bij de invoer van de goederen heeft belanghebbende gebruik gemaakt van de diensten van het douane expediteursbedrijf [T]. 3.8 Tot de gedingstukken behoren voorts de volgende stukken (verweerschrift bijlage 5). De stukken hebben betrekking op de vier zendingen. Hierna volgt per zending een overzicht van de stukken: 1. Zending van 5 november 2004 (zeecontainer TCKU 941873-3) Een factuur van de verkoper met datum van 5 november 2004 (factuurnummer 0012137-IN). Op de factuur is een besteldatum (‘order date’) vermeld van 29 oktober 2004. Op de factuur is een beschrijving opgenomen van sterke drank alsmede de drankprijzen. a. Op de factuur is voor zover van belang voorts het volgende vermeld: “SMT DUTY FREE, INC (…) SOLD TO: SHIP TO: [Belanghebbende] [Belanghebbende] [adres] [adres] ARUBA ARUBA b. Een ‘Bill of lading’ van ‘Seafreight Line Ltd’ (PEVAUA12063) waarop is te zien dat ‘SEAPACK Inc’ met container TCKU 941873-3, 69 colli goederen verscheept naar A1 Transport. c. Een ‘Bill of lading’ van ‘SEAPACK Inc’ (MIAARU208298) waarop te zien is dat een partij drank (9 colli) in de zeecontainer met nummer TCKU-941873-3 door de verkoper wordt verscheept naar belanghebbende. d. Een ‘Cargo manifest’ van ‘SEAPACK Inc’. Daarop is te zien dat in totaal 69 colli goederen in voormelde container worden vervoerd. Op de ‘Cargo manifest’ zijn de goederen (9 colli drank) van belanghebbende vermeld. De goederen worden met het zeeschip ‘STADT BERLIN’ vervoerd. e. Een akte van inklaring (No.1915) van het schip ‘STADT BERLIN’. Volgens de vrachtlijst (onder nummer 7) bevat de zeecontainer TCKU 941873-3, 60 colli goederen met een omschrijving ‘Verhuisboedel met aangehechte lijst’. De vrachtlijst is voor deze goederen aangezuiverd met het douanedocument S901-2452. Het douanedocument S901-2452 is een opslagdocument. f. Het douanedocument is opgesteld door A1 Transport Co. Op het douanedocument is A1 Transport Co. vermeld als aangever en als importeur. De goederen die bestemd zijn voor belanghebbende zijn niet aangegeven. 2. Zending van 26 november 2004 (zeecontainer FSCU 305383-1) a. Een factuur met datum van 22 november 2004 (factuurnummer 0012285-IN). Op de factuur is een besteldatum vermeld van 19 november 2004. Op de factuur is een beschrijving opgenomen van sterke drank alsmede de drankprijzen voor een totaalbedrag van USD 24.580,75. b. Een ‘Bill of lading’ van Seafreight Line, Ltd’ (PEVAUA12112) waarop is te zien dat door ‘SEAPACK Inc’ met container FSCU-305383-1, 42 colli goederen wordt verscheept naar A1 Transport. c. Een ‘Bill of lading’ van ‘SEAPACK Inc’ (MIAARU208953) waarop te zien is dat een partij drank (6 colli) in de zeecontainer FSCU-305383-1 door de verkoper wordt verscheept naar belanghebbende. d. Een ‘Cargo manifest’ van ‘SEAPACK Inc’. Daarop is te zien dat in totaal 42 colli goederen in voormelde container wordt vervoerd. Op de ‘Cargo manifest’ zijn de goederen (6 colli drank) van belanghebbende vermeld. De goederen worden met het zeeschip ‘STADT BERLIN’ vervoerd. e. Een akte van inklaring van 2 december 2004 (No.2050) van het schip ‘STADT BERLIN’. Volgens de vrachtlijst (onder nummer 5) bevat de container FSCU-305383-1, 36 colli goederen met een omschrijving ‘Verhuisboedel met aangehechte lijst’. De vrachtlijst is voor deze goederen (36 colli) aangezuiverd met het douanedocument S901-2664. Het douanedocument S901-2664 is een opslagdocument. f. Het douanedocument is opgesteld door A1 Transport Co. Op het document is A1 Transport Co. vermeld als aangever en als importeur. De goederen die bestemd zijn voor belanghebbende zijn niet aangegeven. g. Als bijlage B-4 bij het verweerschrift is met betrekking tot deze container een tweede cargomanifest gevoegd. Volgens dit manifest bevat de container 36 colli goederen. Op dit overzicht zijn de goederen die bestemd zijn voor belanghebbende niet opgenomen. 3. Zending van 21 januari 2005 (zeecontainer GSTU 339986-2) a. Een factuur met datum van 20 januari 2005 (factuurnummer 0012772-IN). Op de factuur is een besteldatum vermeld van 18 januari 2005. Op de factuur is een beschrijving opgenomen van sterke drank alsmede de drankprijzen voor een totaalbedrag van USD 18.931,60. b. Een ‘Bill of lading’ van Seafreight Line, Ltd’ (PEVAUA12214) waarop is te zien dat door ‘SEAPACK Inc’ met container GSTU 339986-2, 21 colli goederen en met een andere container (SCZU-775103-1) 25 colli goederen wordt verscheept naar A1 Transport. c. Een ‘Bill of lading’ van ‘SEAPACK, Inc’ MIAARU211226 waarop te zien is dat een partij drank (5 colli) in de zeecontainer GSTU 339986-2 door de verkoper wordt verscheept naar belanghebbende. d. Een ‘Cargo manifest’ van ‘SEAPACK, Inc’. Daarop is te zien dat in totaal 46 colli goederen in voormelde twee containers worden vervoerd. In de container GSTU 339986-2 wordt 21 colli goederen vervoerd. Op het ‘Cargo manifest’ zijn de goederen (5 colli drank) van belanghebbende vermeld. De goederen worden met het zeeschip ‘STADT RENDSBURG’ vervoerd. e. Een akte van inklaring van 27 januari 2005 (No.134) van het schip ‘STADT RENDSBURG’. Volgens de vrachtlijst (onder nummer 1) bevat de container GSTU 339986-2, 21 colli goederen met een omschrijving ‘Verhuisboedel met aangehechte lijst’. De vrachtlijst is voor deze goederen (21 colli) aangezuiverd met het douanedocument S901-0157. Het douanedocument S901-0157 is een opslagdocument. f. Het douanedocument is opgesteld door A1 Transport Co. Op het document is A1 Transport Co. vermeld als aangever en als importeur. De goederen die bestemd zijn voor belanghebbende zijn niet aangegeven. g. Met betrekking tot deze container is een tweede cargomanifest bijgevoegd. Volgens dit manifest bevat de container 21 colli goederen. Op dit overzicht zijn de goederen die bestemd zijn voor belanghebbende niet opgenomen. Daarop is vermeld dat 2 colli vracht bestemd is voor ‘Interprint’ en 19 colli vracht bestemd is voor ‘Nautilus Shipping’. 4. Zending van 11 februari 2005 (zeecontainer GSTU 421770-4) a. Een factuur met datum van 10 februari 2005 (factuurnummer 0012907-IN). Op de factuur is een besteldatum vermeld van 9 februari 2005. Op de factuur is een beschrijving opgenomen van sterke drank alsmede de drankprijzen voor een totaalbedrag van USD 21.353,15. b. Een ‘Bill of lading’ van Seafreight Line Ltd’ (PEVAUA12247) waarop is te zien dat door ‘SEAPACK Inc’ met container GSTU 421770-4, 82 colli goederen wordt verscheept naar A1 Transport. c. Een ‘Bill of lading’ van ‘SEAPACK, Inc’ MIAARU211963 waarop te zien is dat een partij drank (6 colli) in de zeecontainer GSTU 421770-4 door de verkoper wordt verscheept naar belanghebbende. d. Een ‘Cargo manifest’ van ‘SEAPACK Inc’. Daarop is te zien dat in totaal 82 colli goederen in voormelde container wordt vervoerd. Op de ‘Cargo manifest’ zijn de goederen (6 colli drank) van belanghebbende vermeld. De goederen worden met het zeeschip ‘STADT RENDSBURG’ vervoerd. e. Een akte van inklaring van 6 februari 2005 (No.262) van het schip ‘STADT RENDSBURG’. Volgens de vrachtlijst (onder nummer 2) bevat de container GSTU 421770-4, 82 colli goederen met een omschrijving ‘Verhuisboedel met aangehechte lijst’. De vrachtlijst is voor deze goederen (82 colli) aangezuiverd met het douanedocument S901-316. Het douanedocument S901-316 is een opslagdocument. f. Het douanedocument is opgesteld door A1 Transport Co. Op het document is A1 Transport Co. vermeld als aangever en als importeur. De goederen die bestemd zijn voor belanghebbende zijn niet aangegeven. 3.9 Op alle facturen van de verkoper is vermeld dat de drank verkocht en verscheept is naar belanghebbende ([belanghebbende]). 4GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN 4.1 In geschil is of de UTB terecht is opgelegd. Meer in het bijzonder gaat het om de vraag of sprake is van ontduiking van invoerrechten en accijnzen (rechten bij invoer) en, zo ja of de ontdoken rechten bij invoer van belanghebbende kunnen worden nagevorderd. Indien het antwoord op deze laatste vraag bevestigend is, bestaat over de hoogte van de UTB geen geschil. 4.2 Belanghebbende stelt (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.