Vonnis van 24 augustus 2022 Behorend bij A.R. nr. AUA201900723 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA VONNIS in de zaak van: [eiseres], wonende te Aruba, eiseres, hierna te noemen: [eiseres] gemachtigde: de advocaat mr. H.S. Croes, tegen: [gedaagde], wonende te Aruba, gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde], gemachtigden: de advocaat mr. R.L.F. Dijkhoff. 1DE PROCEDURE 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het inleidend verzoekschrift met producties; - de zuivering van het tegen [gedaagde] verleende verstek; - de conclusie van antwoord; - de conclusie van repliek, met een productie; - de conclusie van dupliek. 1.2 Vonnis is vervolgens – na herhaald uitstel - bepaald op heden. 2DE FEITEN 2.1 Bij vonnis van dit Gerecht van 25 april 2007 (AR 2066/2006) is als vaststaand aangenomen dat [eiseres] op 4 september 2005 door [gedaagde] werd aangereden terwijl zij de weg overstak, alsmede dat zij ten gevolge van de aanrijding gewond is geraakt en arbeidsongeschikt. Het Gerecht heeft voor recht verklaard dat [gedaagde] door de aanrijding op 4 september 2005 jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld en dat hij is gehouden tot vergoeding van de door [eiseres] als gevolg daarvan geleden materiele en immateriële schade, terwijl Ennia Caribe N.V. (hierna: Ennia; de verzekeringsmaatschappij bij wie [gedaagde] tegen de wettelijke aansprakelijkheid was verzekerd) eveneens is gehouden deze schade te vergoeden, met dien verstande dat zij ter zake van dat ongeval ten hoogste het verzekerde schadebedrag van Afl. 150.000,- zal hoeven uit te keren. 2.2 Ennia heeft in de periode van 2007 tot 2015 ter zake van de door [eiseres] geleden schade in totaal Afl. 150.000,- aan [eiseres] uitgekeerd. 3DE VORDERING 3.1 [ eiseres] vordert dat het Gerecht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. haar toestaat kosteloos te procederen; II. [gedaagde] veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan haar te betalen aan materiele schade: a. Afl. 338.000,- aan inkomstenderving, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 september 2005; b. Afl. 66.800,70 aan indexering van de inkomstenderving, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 september 2005; c. Afl. 780,- per maand vanaf 1 januari 2019 aan kosten huishoudelijke hulp; d. Afl. 46.000,- aan medische kosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 september 2005; III. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan haar van Afl. 100.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 september 2005; IV. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van het geding. 3.2 [ eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] bij voormeld vonnis van 25 april 2007 is veroordeeld tot vergoeding van de door haar geleden schade als gevolg van het door [gedaagde] veroorzaakte ongeval en dat deze schade het door Ennia betaalde bedrag van Afl. 150.000,- overschrijdt. Volgens [eiseres] is haar zodanig ernstig letsel toegebracht dat zij niet meer in staat was of is om haar werkzaamheden die zij voor de aanrijding verrichtte, uit te voeren. Ditzelfde geldt voor haar huishoudelijke werkzaamheden. 3.3 [ gedaagde] heeft verweer gevoerd. Volgens hem heeft hij sinds het vonnis van 25 april 2007 niets meer van [eiseres] vernomen en is de vordering van [eiseres] inmiddels verjaard. De gestelde arbeidsongeschiktheid en de gevorderde immateriële schade heeft [gedaagde] betwist. 3.4 Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover voor de uitspraak van belang – ingegaan. 4DE BEOORDELING Verjaring 4.1 Deze schadestaatprocedure volgt op het vonnis waarin het Gerecht voor recht heeft verklaard dat [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld en dat hij is gehouden tot vergoeding van de door [eiseres] als gevolg daarvan geleden materiele en immateriële schade. Gesteld noch gebleken is dat tegen dit vonnis hoger beroep is ingesteld. [eiseres] vordert thans vergoeding van haar schade. 4.2 [ gedaagde] heeft als verweer gevoerd dat deze vordering is verjaard. [gedaagde] verwijst daartoe naar artikel 3:324 lid 3 BW. Het gaat in dezen volgens hem om periodieke betalingen (de gestelde gederfde inkomsten en maandelijkse kosten voor de huishoudelijke hulp) die [eiseres] als gevolg van het ongeval stelt te zijn misgelopen en mis te lopen en te moeten maken, zodat het derde lid van genoemd artikel van toepassing is. Op grond van dat artikel verjaart hetgeen ingevolge de uitspraak bij het jaar of kortere termijn moet worden betaald, na vijf jaar. Omdat de termijn op 24 april 2007 (de datum van het vonnis) is gaan lopen en de verjaring niet door [eiseres] is gestuit, is de vordering op 24 april 2012 verjaard, aldus [gedaagde]. 4.3 Het verweer van [gedaagde] faalt. De wet geeft geen termijn waarbinnen een schadestaatprocedure moet worden ingesteld. De onderhavige schadestaatprocedure is de tenuitvoerlegging van het vonnis van 24 april 2007 en daarmee een daad van tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 3:324 lid 1 BW. Op grond van dit artikel verjaart de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak door verloop van 20 jaren na de aanvang van de dag, volgende op die van de uitspraak. Van een ingevolge het vonnis te betalen periodieke verplichting als bedoeld in artikel 3:324, derde lid BW is hier, anders dan [gedaagde] betoogt, geen sprake. Immers is voor recht verklaard dat [gedaagde] is gehouden tot vergoeding van de door [eiseres] als gevolg van de aanrijding geleden schade, welke schade hier aan de orde is. Dat de thans gestelde schade mede bestaat uit inkomen uit arbeids dat periodiek aan [eiseres] verschuldigd zou zijn geweest en kosten die zij periodiek zal moeten betalen, maakt dat niet anders. De verjaringstermijn is op 25 april 2007 aangevangen en was op het moment van het instellen van de onderhavige vordering nog niet voltooid. Van verjaring is daarom geen sprake. De schade 4.4 Het Gerecht begrijpt de in het vonnis van 25 april 2007 gegeven verklaring voor recht in het licht van de daaraan ten grondslag gelegde motivering aldus, dat [gedaagde] is gehouden de door [eiseres] ten gevolge van de aanrijding geleden en te lijden materiele en immateriële schade te vergoeden. 4.5 [ eiseres] heeft ter onderbouwing van de door haar gestelde schade betoogd dat zij volledig arbeidsongeschikt is, dat zij, omdat zij niet meer in staat is huishoudelijke werkzaamheden te verrichten en niet op de steun van haar kinderen kan blijven rekenen, vanaf 1 januari 2019 huishoudelijke hulp nodig heeft en dat een deel van de door haar benodigde medische hulp niet door de verzekering wordt vergoed. Ter onderbouwing van de door haar gestelde arbeidsongeschiktheid heeft [eiseres] een tweetal medische adviezen overgelegd van [medisch adviseur], neuroloog en medisch adviseur bij Neurologisch Expertise en Behandel Centrum te [plaats], Nederland, van 22 januari 2015 en 21 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.