Uitspraak van 6 april 2023 BBZ nr. AUA202202701 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA UITSPRAAK op het beroep in de zin van de Landsverordening beroep in belastingzaken van: [Belanghebbende], gevestigd te Aruba, belanghebbende, gericht tegen: DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend te Aruba, de Inspecteur. 1PROCESVERLOOP 1.1 Aan belanghebbende is op 30 december 2016 voor het jaar 2012 een aanslag winstbelasting opgelegd naar een heffingsgrondslag van Afl. 1.147.500 met een te betalen bedrag aan winstbelasting van Afl. 321.300. 1.2 Belanghebbende is op 16 juni 2022 in bezwaar gekomen tegen bovengenoemde aanslag. 1.3 De Inspecteur heeft op 20 juni 2022 middels een zogenoemde handhavingsbeschikking uitspraak op bezwaar gedaan en belanghebbende niet- ontvankelijk verklaard in haar bezwaar. 1.4 Belanghebbende is op 18 augustus 2022 pro-forma in beroep gekomen. Op 7 november 2022 heeft belanghebbende het beroepschrift aangevuld. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van Afl. 150. 1.5 De Inspecteur heeft op 9 januari 2023 een verweerschrift ingediend. 1.6 Belanghebbende heeft op 6 februari 2023 op het verweerschrift van de Inspecteur gereageerd. 1.7 De zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2023 te Oranjestad. Namens belanghebbende zijn verschenen [A] en [B] en [C], allen verbonden aan [X]. Namens de Inspecteur zijn verschenen [D], [E], [F] en [G]. 2GESCHIL 2.1 In geschil is of de inspecteur de aanslag winstbelasting voor het jaar 2012 terecht en tot een juiste bedrag heeft opgelegd. 3BEOORDELING VAN HET BEROEP Ontvankelijkheid bezwaar 3.1 In artikel 17, lid 1, van de Algemene landsverordening belastingen (hierna: ALB) is bepaald dat degene die bezwaar heeft tegen een hem opgelegde belastingaanslag, binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet een gemotiveerd bewaarschrift kan indienen bij de Inspecteur. 3.2 Het onderhavige aanslagbiljet is gedagtekend op 30 december 2016. Het bezwaarschrift is op 16 juni 2022 ingediend. Dit bezwaarschrift is dus buiten de wettelijke termijn van twee maanden ingediend. 3.3 De regel dat bezwaar moet worden ingediend binnen twee maanden na dagtekening van de aanslag leidt uitzondering indien de aanslag ná de datum van dagtekening is bekendgemaakt. In dat geval vangt de bezwaartermijn pas aan op de dag na de bekendmaking van de aanslag door de Inspecteur (vgl. HR 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:875). 3.4 Belanghebbende heeft betoogd dat zij pas door een dwangschrift van 9 juni 2022 op de hoogte is gekomen van de aanslag en dat zij pas op 25 augustus 2022 een duplicaat van de aanslag heeft ontvangen. De aanslag zelf heeft zij derhalve nooit ontvangen. In de betwisting van de tijdige ontvangst ligt de betwisting van de tijdige bekendmaking van de aanslag besloten. In dat geval ligt het op de weg van de Inspecteur om bewijs te leveren van de tijdige bekendmaking. Dat bewijs heeft de Inspecteur naar het oordeel van het Gerecht niet geleverd. Het Gerecht verwijst hiervoor naar 3.10, waarin zij oordeelt dat de aanslag eerst op 24 augustus 2022 is bekendgemaakt. De omstandigheid dat aan belanghebbende door de Inspecteur met dagtekening 28 september 2016 een afwijkingsbrief is verstuurd, die door belanghebbende op 11 oktober 2016 is ontvangen, leidt het Gerecht niet tot een ander oordeel. Het bezwaar is ingediend op 16 juni 2022. Dat is weliswaar vóór de datum van bekendmaking maar door het hiervoor vermelde dwangschrift was belanghebbende al op 9 juni 2022 op de hoogte van de aanslag zodat het bezwaar ontvankelijk is. Tijdigheid aanslag 3.5 Ingevolge artikel 10, lid 4 ALB vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag door verloop van tien jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Die termijn bedraagt vijf jaar indien overeenkomstig de wet aangifte is gedaan (artikel 10, lid 5 ALB). De Inspecteur stelt dat niet overeenkomstig de wet aangifte is gedaan en dat de termijn voor het opleggen van de aanslag dus tien jaar bedraagt. Het Gerecht overweegt als volgt. 3.6 Belanghebbende is een op 10 augustus 2000 naar Arubaans recht opgerichte vrijgestelde vennootschap in de zin van artikel 1, letter c van de Landsverordening winstbelasting. Zij heeft op 12 november 2013 aangifte winstbelasting voor het jaar 2012 gedaan en daarbij een concept-jaarrekening over dat jaar bijgevoegd. In de aangifte heeft belanghebbende het standpunt ingenomen dat zij in 2012 uitsluitend vrijgestelde activiteiten heeft verricht en dat zij daarom is vrijgesteld van de winstbelasting. De Inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de voorwaarden voor vrijstelling omdat zij meer dan 10% van haar vermogen renteloos heeft uitgeleend aan de aandeelhouders en/of participanten. Anders dan belanghebbende is de Inspecteur van mening dat een dergelijke lening geen kwalificerende belegging vormt. Op 22 april 2021 heeft het Hof in een soortgelijke zaak uitspraak gedaan en in die uitspraak de Inspecteur gelijk gegeven (ECLI:NL:OGHACMB:2021:106). Tegen die uitspraak is beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft nog geen arrest gewezen. Het Gerecht acht het standpunt van belanghebbende pleitbaar. Gelet hierop heeft belanghebbende naar het oordeel van het Gerecht overeenkomstig de wet aangifte winstbelasting gedaan. 3.7 Dat betekent dat dat in dit geval de bevoegdheid tot het vaststellen van een aanslag door verloop van vijf jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Artikel 5, lid 1 ALB bepaalt dat de aanslag door de Inspecteur wordt vastgesteld en dat de dagtekening van het aanslagbiljet geldt als dagtekening van de (toevoeging Gerecht: vaststelling van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.