2. HET BEROEP 2.1 Bij beschikking van de Huurcommissie van 28 juni 2028, met kenmerk HOP/2024/085 (hierna: de beschikking), heeft de Huurcommissie het verzoek van [appellante] om de door haar met [geïntimeerden] gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de aan [appellante] toebehorende woning in Aruba te [adres] (hierna: het gehuurde, of: de woning), afgewezen. 2.2 In de beschikking is overwogen dat het niet is komen vast te staan, dan wel dat onvoldoende is bewezen, dat [appellante] terugkeert naar Aruba om in de woning te wonen. Er is daarom volgens de huurcommissie onvoldoende rechtmatig belang bij de beoogde opzegging. 2.3 [ Appellante] heeft op 9 augustus 2024 beroep ingesteld tegen de beschikking. [Appellante] verzoekt dat het Gerecht de beschikking vernietigt en doet wat de Huurcommissie had behoren te doen, te weten het verzoek van haar tot opzegging van de huurovereenkomst met [geïntimeerden] alsnog toewijst. Hiertoe voert [appellante] aan dat zij de woning — wel degelijk — nodig heeft voor eigen gebruik, na verhuizing met haar kinderen naar Aruba. [Appellante] acht de beslissing van de huurcommissie onredelijk, omdat het recht op eigen gebruik van de woning wordt genegeerd, terwijl er geen bijzondere omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat de huurders niet kunnen verhuizen. [Geïntimeerden] zijn 65 en 67 jaar. Die Ieeftijd is niet uitzonderlijk hoog en er zijn voldoende alternatieve woonopties beschikbaar op de markt voor huurders voor deze Ieeftijdscategorie, aldus [appellante]. 2.4 [ Geïntimeerden] voert verweer en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep met veroordeling van [appellante] in de proceskosten. [Geïntimeerden] voert hiervoor aan dat zij op Ieeftijd zijn en dat hun leven op Aruba is afgestemd op de woning. De heer [geïntimeerde 1] werkt vanuit huis. Enkele jaren geleden heeft hij een herseninfarct gehad, waarvoor hij verpleging ontvangt van hulpverleners in de buurt. Het is daarom bezwaarlijk om te verhuizen. Bovendien Iukt het niet om vervangende woonruimte te vinden op Aruba, laat staan in de buurt van de woning met een kantoor aan huis. Voor zover dat al mogelijk is, zal het gevolg zijn dat [geïntimeerden] een hogere huur moeten betalen, terwijl zij dat niet kunnen opbrengen. Verder voert [geïntimeerden] aan dat zij betwisten dat [appellante] zelf in de woning zal gaan wonen. In 2022 heeft [appellante] aangegeven dat zij dat juist niet van plan is. [Geïntimeerden] twijfelt ook of [appellante] de enige eigenaar is van de woning omdat zij bij aanvang van de huur niet op haar naam contracten voor nutsvoorzieningen konden afsluiten. De slotsom is volgens [geïntimeerden] dat hun belang bij voortzetting van de huur zwaarder weegt dan het belang van [appellante] bij beëindiging van de huur. Op vragen van het Gerecht antwoorden [geïntimeerden] dat de huurovereenkomst destijds is afgesloten voor een jaar, maar dat daarbij de mogelijkheid is opengehouden om voor langere tijd in het gehuurde te verblijven. [Geïntimeerden] verklaren daarvan uit te zijn gegaan. = E.J. nr. AUA202402851= 3 3DE BEOORDELI NG 3.1 Het Gerecht stelt vast dat [appellante] binnen de daartoe gestelde wettelijke termijn beroep tegen de beschikking heeft ingesteld. [Appellante] is daarom ontvankelijk in haar beroep. Rechtmatig belang 3.2 Het beroep van [appellante] is gegrond op haar stelling dat zij het gehuurde dringend nodig heeft voor eigen gebruik en dat zij daarom een rechtmatig belang heeft bij de beëindiging van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst. 3.3 Bij het onderzoeken en beantwoorden van de vraag of [appellante] "rechtmatig belang" heeft bij het opzeggen van de huur gaat het er niet slechts om of [appellante] zelf enig belang heeft. In een oude uitspraak van GEA Curaçao van 7 januari 1971 (Lopez 1981, p. 76) is geoordeeld dat van een "rechtmatig belang" onder andere sprake is als de maatschappelijke en economische belangen van partijen tegen elkaar afwegende, van de eigenaar niet kan worden gevergd dat hij in voortzetting van de huur berust. Het rechtmatig belang van de verhuurder kan in het ene geval — tegenover de ene huurder wel reden zijn voor opzegging, terwijl dezelfde feiten en omstandigheden in een ander geval — tegenover een andere huurder — geen voldoende reden zijn. Kart en goed is het dus niet juist — zoals [appellante] schrijft — dat het wet haar een recht op eigen gebruik van de woning toekent dat door de huurcommissie is genegeerd. Er moet een belangenafweging worden gemaakt. Belangenafweging 3.4 Voor zover [appellante] betoogt dat de huurcommissie de belangenafweging onvoldoende heeft gemotiveerd, is dat standpunt wel juist, maar dat brengt nog niet mee dat de beslissing moet worden vernietigd. Het Gerecht moet een eigen belangenafweging maken. 3.5 Nu [appellante] niet op de mondelinge behandeling is verschenen of vertegenwoordigd, heeft zij het Gerecht en [geïntimeerden] de mogelijkheid ontnomen om haar over haar belang te ondervragen. Daarbij komt dat [geïntimeerden] onbetwist hebben gesteld dat zij belang hebben bij het behoud van de huurrelatie c.q. de woning op de bestaande locatie, op de gronden die hierboven zijn weergegeven (rov. 2.4). Die belangen (althans de feiten waarmee die belang zijn onderbouwd) zijn door [appellante] op de zitting niet weersproken en staan bij de afweging dus vast. Dit brengt het Gerecht tot de conclusie dat de belangen van [geïntimeerden] zwaarder wegen dan de (niet verifieerbare) belangen van [appellante] bij beëindiging van de huur. 3.6 De slotsom is dat er geen sprake is van "rechtmatig belang" in de zin van de wet. =E.J. nr. AUA202402851= Het beroep zal ongegrond worden verklaard onder bevestiging van de beschikking. Proceskosten 3.7 [ Appellante] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, warden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [geïntimeerden], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 1.250,-- aan salaris voor de gemachtigde. 4DE UITSPRAAK Het Gerecht: - verklaart het beroep van [appellante] ongegrond; - bevestigt de beschikking van de Huurcommissie van 26 april 2024, met kenmerk HOP/2024/085; - veroordeelt [appellante] in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [geïntimeerden], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 1.250,--. Deze beschikking is gegeven door mr. J.T.G. Roovers, rechter-plv en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 3 december 2024 in tegenwoordigheid van mr. C.F.N. van Schaijk, griffier. =E.J. nr. AUA202402851=
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.