← Nederland

ECLI:NL:OGEAA:2024:308

Uitspraak van 27 december 2024 Lar nr. AUA202400895 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA UITSPRAAK op het beroep in de zin van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van: WOLFGANG THIEDE UND PARTNER N.V. gevestigd in Aruba, APPELLANTE, gemachtigden: mr. D.W. Ormel en mr. M. Franken, gericht tegen: DE MINISTER VAN ALGEMENE ZAKEN, INNOVATIE, OVERHEIDSORGANISATIE, INFRASTRUCTUUR EN RUIMTELIJKE ORDENING, zetelend in Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: mr. D.C.A. Crouch PROCESVERLOOP In de beslissing op bezwaar van 7 februari 2024 (de bestreden beslissing) heeft verweerder de aanvraag van appellante voor een aanlegvergunning geweigerd. Daartegen heeft appellante beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november

  1. Voor appellante is verschenen mr. D.W. Ormel en voor verweerder de hierboven genoemde gemachtigde en mr. N. Esquivel, advocaat, en mr. [betrokkene], jurist bij de Directie Infrastructuur en Planning (DIP). De uitspraak is bepaald op heden. OVERWEGINGEN Waar gaat deze zaak over?
  2. Deze zaak gaat over de vraag of verweerder de aanvraag van appellante om een aanlegvergunning terecht en op goede gronden heeft geweigerd. Die aanlegvergunning heeft appellante nodig om wegen te kunnen aanleggen die moeten dienen als ontsluiting van een groot aantal door haar te realiseren woningen als onderdeel van het vakantiepark van appellante. Zonder aanlegvergunning geen woningen. Appellante wil óf kunnen aanleggen en bouwen, óf schadevergoeding van het Land Aruba voor het laten vervallen van de mogelijkheid te bouwen en aan te leggen. Deze zaak hangt dan ook samen met enkele andere procedures over de vergoeding van planschade. Die planschade zou zijn veroorzaakt door het Ruimtelijk Ontwikkelingsplan met voorschriften (ROPv) dat op 1 september 2021 in werking is getreden. Door de in dat plan opgenomen aanduidingen/ bestemmingen en voorschriften kan in bepaalde gebieden niet meer worden gebouwd en aangelegd, wat voordien wel mogelijk was. Het gerecht geeft hierna eerst weer wat er aan deze procedure is voorafgegaan, dan de procedure zelf, om daarna het beroep van appellante tegen de weigering van de aanlegvergunning te bespreken. Wat ging er aan deze procedure vooraf?
  3. Appellante is sinds 1992 eigenaar van elf percelen eigendomsgrond gelegen ten oosten van de Hooiberg, met in totaal een oppervlakte van ongeveer 220.809 m
  4. Sinds de jaren 90 ontwikkelt zij op die locatie het ‘[plaats 1].’ Voor de gehele ontwikkeling zijn in 1994 en 1997 goedgekeurde verkavelingsplannen afgegeven. In 2009 is het verkavelingsplan herzien. De fases 1 en 4 (deels) zijn gerealiseerd en operationeel, met een waterpark, 54 villa’s en appartementen. Voor de realisering van het resterende gedeelte van het project, dat wil zeggen fases 2 en 3 en een deel van fase 4, heeft appellante op 21 januari 2021 een aanvraag voor een aanlegvergunning ingediend. De aanvraag strekt tot het mogen aanleggen van wegen en andere terreinverharding. De reden dat een aanlegvergunning is aangevraagd is gelegen in het feit dat er sinds 2018 voorbereidingsbesluiten zijn genomen, met daarin een aanlegvergunningstelsel. Het gaat om de voorbereidingsbesluiten van 21 december 2018 (Landsbesluit 21 december 2018, no. 1), van 31 januari 2020 (Landsbesluit 31 januari 2020, no. 4), en van 29 januari 2021 (Landsbesluit 29 januari 2021, no. 9). Voor 2018 kon appellante wegen aanleggen op grond van de goedgekeurde verkavelingsplannen, zonder nadere of extra overheidstoestemming. Vanaf 2018 was voor dezelfde aanleg van die wegen ook een aanlegvergunning vereist. De artikelen 2 van deze voorbereidingsbesluiten bepalen namelijk dat voor de uitvoering van bepaalde werken of werkzaamheden op enig perceel groter dan 750 m2 een aanlegvergunning is vereist, zoals voor:- het afgraven en egaliseren van de bodem;- het aanleggen van wegen of andere terreinverhardingen;- het vellen en rooien van bomen en andere begroeiing. De procedure
  5. Op de aanvraag van appellante 21 januari 2021 voor een aanlegvergunning is door verweerder niet tijdig beslist. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beschikking op haar aanvraag. Dit heeft uiteindelijk geleid tot een beslissing op bezwaar van 20 oktober 2021, waarbij verweerder de aanvraag heeft afgewezen, omdat de werkzaamheden in strijd zouden zijn met de aanduiding ‘Hooiberg en omgeving’”, in het Ruimtelijk Ontwikkelingsplan met voorschriften (ROPv). Gronden met die aanduiding zijn volgens verweerder bestemd voor dagrecreatie en niet voor het aanleggen van wegen ten behoeve van een groot vakantiepark. 3.1 Het beroep dat appellante hiertegen heeft ingesteld, is in de uitspraak van dit gerecht van 30 augustus 2023 (AUA202103581) gegrond verklaard, met de opdracht aan verweerder om een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellante te nemen. Tegen deze uitspraak hebben partijen geen hoger beroep ingesteld. Het gerecht heeft in die uitspraak overwogen dat verweerder de aanvraag ten onrechte had getoetst aan het op 1 september 2021 in werking getreden ROPv. Verweerder had de aanvraag moeten toetsen aan het destijds nog geldende Ruimtelijk Ontwikkelingsplan Aruba 2019 (ROP 2019) en het voorbereidingsbesluit van 31 januari
  6. De bestreden beslissing op bezwaar
  7. Bij de nu bestreden beslissing op bezwaar heeft verweerder de aanvraag van appellante opnieuw afgewezen. In deze beslissing heeft verweerder de aanvraag getoetst aan het ROP 2019 en het voorbereidingsbesluit van 31 januari
  8. Volgens verweerder is met het ROP 2019 nieuw beleid ingezet, waarbij een groter gewicht wordt toegekend aan de natuur. Om die reden wordt in het ROP 2019 het gebied ‘Hooiberg en omgeving’ grotendeels aangeduid als ‘woongebied met waarden’, waarin het beleid is dat geen nieuwe ontwikkelingen worden toegestaan, anders dan landschappelijke en natuurontwikkelingen. Wel kunnen onder de noemer ‘bestaande situaties’ projecten worden gerealiseerd die al zijn vergund. Dat geldt niet voor het vakantiepark van appellante voor zover nog niet gerealiseerd.Verweerder heeft de aanvraag van appellante ook getoetst aan de voorwaarden bij het voorbereidingsbesluit van 31 januari
  9. Op grond van artikel 2 van dat besluit is de aanleg van wegen of andere terreinverhardingen door appellante vergunningplichtig, omdat de percelen van appellante allen groter zijn dan 750 m
  10. Op grond van artikel 5, vierde lid, van dat besluit wordt de gevraagde aanlegvergunning alleen geweigerd indien de ecologische, landschaps, natuur of cultuurhistorische waarden door die aanleg onevenredig worden geschaad. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de ter plekke aanwezige waarden door de aanleg van de wegen onevenredig wordt geschaad. Verweerder heeft hierbij verwezen naar het advies van 1 maart 2021 (kenmerk DNM-Alg/21/0367) van de Dienst Natuur en Milieu (DNM). In dat advies is vermeld dat de werkzaamheden die appelante wil uitvoeren louter een economische ontwikkeling betreffen, die schade toedient aan de ter plekke aanwezige natuur en ecologische waarden. Op grond van veldonderzoek zijn 27 soorten flora en 13 soorten fauna geïnventariseerd, waaronder negen beschermde soorten op grond van het Landsbesluit bescherming inheemse Soorten Flora en Fauna. Verder is via visuele waarneming geconstateerd dat op de percelen een aantal grote bomen staan die van belang zijn voor dieren, omdat zij door verdamping zorgen voor een vochtiger en koeler microklimaat en zorgen voor schaduw. In het advies is vastgesteld dat de aanvraag niet ziet op het vellen van bomen en andere begroeiing, terwijl de gronden niet bouwrijp gemaakt kunnen worden en het wegenstelsel niet kan worden aangelegd zonder het vellen van bomen en andere begroeiing. Het advies sluit af met de opinie dat het gebied een hoge ecologische waarde heeft en in zijn natuurlijke staat behouden moet worden, wat ook geldt voor de ter plaatse aanwezige rotsformaties, boulders en rooien, die ook het ecosysteem dienen. Het standpunt van appellante
  11. Appelante voert aan dat verweerder niet voldoende heeft gemotiveerd dat de natuurwaarden, voor zover aanwezig, onevenredig worden geschaad. Zij stelt dat met ter plaatse aanwezige waarden rekening kan worden gehouden bij de ontwikkeling en inrichting van het terrein. Dat is bij andere met name genoemde grote projecten ook gebeurd. Niet valt in te zien waarom dat hier niet zou kunnen. Appellante meent verder dat, omdat DNM niet het gehele gebied heeft geduid als gebied met ecologische waarden, in ieder geval voor de resterende gedeelten van haar percelen een aanlegvergunning had moeten worden verleend. Ook voert appellante aan dat uit een luchtfoto blijkt dat op een perceel, met aanduiding 1-R-201 geen noemenswaardige begroeiing meer resteert, zodat moet worden aangenomen dat verweerder daarvoor wel een aanlegvergunning heeft verleend. Daarom moet die vergunning ook aan haar worden verleend, zo stelt appellante. Over het ROP 2019 stelt appellante dat dit geen bindende kracht heeft voor burgers en voor haarzelf. Tot slot voert appellante aan dat de realisering van haar project valt onder ‘bestaande situaties’, die het ROP 2019 uitdrukkelijk mogelijk maakt, omdat zij sinds de jaren ’90 beschikt over goedgekeurde verkavelingsplannen, die de gewenste aanleg van wegen mogelijk maakte. Door nu de aanlegvergunning te weigeren worden eerder vergunde rechten weggenomen, wat onredelijk is. Appellante roept op tot een minder starre houding van verweerder. Zij wil om de tafel om te bezien wat wel mogelijk is. Wat oordeelt het gerecht?
  12. Het gerecht neemt in deze zaak tot uitgangspunt het oordeel van het gerecht in de uitspraak van 30 augustus 2023, omdat partijen daartegen geen hoger beroep hebben ingesteld. Het daarin gegeven oordeel is daarmee bindend voor partijen. Daarmee is het toetsingskader gegeven. Verweerder moest de aanvraag van 21 januari 2021 van appellante om een aanlegvergunning toetsen aan enerzijds het ROP 2019 en anderzijds het voorbereidingsbesluit van 31 januari 2020, aangezien dat voorbereidingsbesluit nog van kracht was toen de aanvraag werd ingediend. Het ROP 2019
  13. Het betoog van appellante dat aan het ROP 2019 geen betekenis toekomt, omdat dit ontwikkelingsplan geen voorschriften bevat en dus niet bindend is, slaagt niet. Het feit dat het ROP 2019 geen voor burgers en belanghebbenden bindende voorschriften bevat, betekent niet dat daaraan geen betekenis toekomt. Het ROP 2019 bevat een ruimtelijke beleidsvisie die kan worden gebruikt bij het maken van ruimtelijke keuzen en bij het voorbereiden en nemen van beslissingen met een ruimtelijke impact, zoals aanlegvergunningen. 7.1 Het gebied waarin de percelen van appelante zijn gelegen heeft in het ROP 2019 de aanduiding ‘woongebied met waarden’. In paragraaf 1.6 van het ROP 2019 valt te lezen dat binnen het gebied groen, landschap, ecologie, wonen, werken, landbouw, horeca, recreatie en detailhandel elkaar afwisselen. De woonfunctie is dominant. De kernen zijn met elkaar verbonden door wegen met een doorgaande verkeersfunctie. De niet woonfuncties zijn met name langs deze doorgaande wegen gesitueerd. De verschillende kernen worden van elkaar gescheiden door op de plankaart aangegeven overgangsgebieden. Als te beschermen of te realiseren waarden en kwaliteiten worden genoemd:(….)  Landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden, zoals het stelsel van rooien, de rotsformaties, de Hooiberg en open landschappelijke en groene ruimten (ecologische hoofdstructuur). Deze waardevolle elementen leveren een bijdrage aan de kwaliteit en aan het toeristisch product van Aruba;(….) In paragraaf 1.6.
  14. is het gebiedsbeleid vermeld. Op grond van dit beleid zijn in het aangeduide gebied Hooiberg en omgeving geen nieuwe ontwikkelingen, anders dan landschappelijke en natuurontwikkelingen, toegestaan. 7.2 Het gerecht is, gelet op deze beleidsvisie, van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat een grootschalige ontwikkeling als appellante voor ogen staat, te weten het (alsnog) realiseren van ongeveer 500-600 wooneenheden ter plaatse, met bijbehorende wegenstructuur en voorzieningen, haaks staat op het ROP 2019, omdat daarin is aangegeven voor het gebied ‘Hooiberg en omgeving’ dat nieuwe ontwikkelingen, anders dan landschappelijke en natuurontwikkelingen, niet zijn toegestaan. 7.3 Appellante stelt dat daarmee afbreuk wordt gedaan aan eerder vergunde rechten. Zij doet daarbij een beroep op de toelichting bij het ROP 2019 (p. 34), waarin over ‘bestaande situaties’ is vermeld dat bestaande legale situaties mogen worden voortgezet. Ook staat vermeld dat valide juridische toezeggingen kunnen en mogen worden nagekomen. 7.4 Dit betoog slaagt niet. In het ROP 2019 is op tal van plaatsen weergeven dat geen (bouw)activiteiten worden toestaan in: o rooien, salina’s, dammen en tanki’s met bijbehorende bufferzones; o ecologisch en natuurlijk waardevolle gebieden; o landschappelijk waardevolle gebieden; o rotsformaties, zoals onder 1.7 ‘ecologie, natuur en landschap’. Op tal van plekken is weergeven dat legaal opgerichte bebouwing mag blijven staan. Voor gronden met de aanduiding ‘woongebied met waarden’ is vermeld (onder 1.6.5) dat bestaande legale gebouwen mogen worden vernieuwd, verbouwd en vervangen conform de bestaande oppervlakte en goot- en bouwhoogte. En dat nieuwe bebouwing is toegestaan, mits passend binnen een woongebied. Voor de overgangsgebieden geldt dat geen afbreuk wordt gedaan aan de te beschermen waarden. In de ecologische hoofdstructuur is geen nieuwe bebouwing toegestaan. Omdat de percelen van appellante geheel of grotendeels zijn gelegen in de ecologische hoofdstructuur is op grond van het ROP 2019 nieuwe bebouwing daar niet toegestaan. Voor de percelen van appellante zijn na 2009/2010 geen bouwvergunningen afgegeven. Van een bestaande legale situatie is wat betreft het bouwen van woningen of andere bouwwerken dan ook geen sprake. Wat betreft het aanleggen van wegen in het gebied geldt dat dit tot 2018 mogelijk was op grond van de goedgekeurde verkavelingsplannen en wel zonder nadere overheidstoestemming. Dat is gewijzigd in 2018 met de inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit van 21 december 2018, omdat daarin een aanlegvergunningstelsel is opgenomen. Dat stelsel gold na verlenging ook nog ten tijde van de aanvraag van appellante. Sinds 2018 kan dan ook niet meer worden gesproken van een bestaande situatie. Door vanaf 1994 en 1997 geen gebruik te maken van de verkregen toestemming om wegen aan te leggen en daarmee te wachten tot 2021 heeft appellante het risico gelopen dat de planologische inzichten en spelregels zouden wijzigen. Dat is precies wat er is gebeurd. En daarom is er geen grond om te oordelen dat de bestreden weigering inbreuk maakt op de ‘bestaande situatie’ als bedoeld in het ROP
  15. Het voorbereidingsbesluit van 31 januari 2020
  16. Met partijen is het gerecht van oordeel dat de aanvraag van appellante ziet op aanlegvergunningplichtige werken of werkzaamheden. Op grond van artikel 5, vierde lid, van dit voorbereidingsbesluit wordt de aanlegvergunning alleen geweigerd indien de ecologische, landschaps-, natuur of cultuurhistorische waarden door die aanleg onevenredig worden geschaad. Het is deze bepaling die verweerder aan de bestreden weigering ten grondslag heeft gelegd. 8.1 Het gerecht stelt vast dat appellante niet betwist dat ter plaatse ecologische, landschaps-, natuur of cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het gerecht stelt tevens vast dat het oordeel van verweerder over die waarden is gebaseerd op het advies van de DNM van 1 maart 2021, waarin verslag wordt gedaan van een inventarisatie die ter plaatse op 26 februari 2021 heeft plaatsgevonden. Zoals hiervoor al weergegeven zijn op grond van het veldonderzoek 27 soorten flora en 13 soorten fauna gelokaliseerd, waaronder negen beschermde soorten op grond van het Landsbesluit bescherming inheemse Soorten Flora en Fauna. Verder is door middel van visuele waarneming geconstateerd dat er een aantal grote bomen in het gebied staan die van belang zijn voor dieren, omdat zij door verdamping zorgen voor een vochtiger en koeler microklimaat en zorgen voor schaduw. In het advies wordt vastgesteld dat de aanvraag niet ziet op het vellen van bomen en andere begroeiing, terwijl de gronden niet bouwrijp gemaakt kunnen worden en het wegenstelsel niet kan worden aangelegd zonder het vellen van bomen en andere begroeiing. 8.2 Het gerecht stelt vast dat appellante aan de aanwezige waarden een minder groot gewicht toekent dan verweerder. Appellante heeft echter geen contra-expertise ingediend waaruit blijkt dat de geïnventariseerde waarden op onjuiste wijze zijn vastgesteld. Het gerecht heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door de DNM verrichte inventarisatie. Het gerecht beantwoordt de vraag of ter plaatse ecologische, landschaps-, natuur of cultuurhistorische waarden voorkomen dan ook bevestigend. Gelet hierop en op de omvang van de werkzaamheden waarop de aanvraag ziet, is het gerecht verder van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat realisering van de wegen en de overige terreinverhardingen die zijn aangevraagd leiden tot een onevenredige aantasting van de ter plaatse aanwezige ecologische, landschaps-, natuur of cultuurhistorische waarden. 8.3 Het betoog van appellante dat als de aanleg van de wegen zou leiden tot een dergelijke aantasting verweerder dan toch in ieder geval voor gebieden aan de rand van de percelen, waar die onevenredige aantasting zich niet voordoet, vergunning had moeten verlenen, slaagt niet. Allereerst omdat appellante niet met een rapport heeft onderbouwd dat genoemde waarden zich op die gedeelten van de percelen niet voordoen. Maar ook omdat verweerder de aanvraag als geheel heeft beoordeeld en heeft mogen beoordelen en de aanvraag zelf niet heeft hoeven splitsen in gedeelten waarin die waarden wel of niet voorkomen. Het gerecht is van oordeel dat de aanvraag, zoals die door appellante is ingediend, terecht en op goede gronden is geweigerd. 8.4 Appellante heeft nog aangevoerd dat verweerder – anders dan bij haar aanvraag – bij andere projecten ([plaats 2], [plaats 3]) wel heeft meegewerkt aan de ontwikkeling van terreinen. Het gerecht vat deze beroepsgrond op als een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan slagen als gelijke gevallen ongelijk zijn behandeld. Niet is echter gebleken dat het bij die projecten gaat om gelijke gevallen. Ten eerste is onduidelijk wanneer die projecten zijn gerealiseerd. Ten tweede is onduidelijk of de binnen die projecten verrichte werkzaamheden aanlegvergunningplichtig waren en, zo ja, in het verlengde daarvan, of voor die werkzaamheden toen een aanlegvergunning is verleend. Ten derde is onduidelijk of voor die projecten hetzelfde toetsingskader gold en of sprake was van de aanwezigheid van dezelfde ecologische, landschaps-, natuur of cultuurhistorische waarden. Het betoog slaagt niet. 8.5 Tot slot heeft appellante aangevoerd dat uit een luchtfoto blijkt dat op perceel [perceelnummer] geen bomen of andere begroeiing meer aanwezig zijn, zodat moet worden aangenomen dat door verweerder voor het rooien daarvan een aanlegvergunning is verleend. Dit betoog slaagt niet. Ten eerste is niet duidelijk van wanneer de luchtfoto dateert. Omdat een vergelijking met de situatie ervoor ontbreekt, kan niet worden vastgesteld of op het perceel bomen en andere begroeiing zijn geveld of verwijderd. Verder is niet gebleken dat verweerder voor werkzaamheden op dat perceel een aanlegvergunning heeft verstrekt. De veronderstelling van appellante dat verweerder dat moet hebben gedaan, kan zonder onderbouwing, die ontbreekt, niet worden gevolgd. Als er al sprake van zou zijn dat op perceel [perceelnummer] bomen of andere begroeiing zijn geveld, kan immers niet worden uitgesloten dat dit is gebeurd zonder vergunning. Mogelijk omdat geen aanlegvergunning nodig was, of omdat dit – als wel een aanlegvergunning nodig was – illegaal is gebeurd. De conclusie
  17. Het beroep slaagt niet en zal daarom ongegrond worden verklaard. Voor vergoeding van griffierecht of proceskosten is geen aanleiding. Wat betekent dit voor appellante?
  18. Deze uitspraak bevestigt dat het alsnog aanleggen van het wegenstelsel zoals opgenomen in de verkavelingsplannen niet tot de mogelijkheden behoort. Niet is uitgesloten dat appellante voor een bepaald weggedeelte wel een aanlegvergunning kan krijgen, als komt vast te staan dat op dat perceelgedeelte geen ecologische, landschaps-, natuur of cultuurhistorische waarden aanwezig zijn, dan wel – als die er wel zijn – die waarden niet onevenredig worden geschaad. Mocht appellante dit wenselijk vinden, dan kan zij een daartoe beperkte aanvraag voor een aanlegvergunning indienen. Zoals hiervoor aangegeven, zonder wegen geen bebouwing. Dat betekent dat appellante de resterende fasen van haar project niet meer zal kunnen realiseren.Het verlies aan (bouw)mogelijkheden, voor zover veroorzaakt door het ROPv, kan zich vertalen in planschadevergoeding. Daarvoor is al een procedure in gang gezet. Het staat partijen echter vrij om te proberen om tot een minnelijke regeling te komen en daarbij te betrekken opties zoals (partiele) onteigening, schadevergoeding in geld of in natura, ruil van percelen etc. Het is niet aan het gerecht om daar in dit stadium op vooruit te lopen. BESLISSING De rechter in dit gerecht: - verklaart het beroep ongegrond Deze beslissing is gegeven door mr. B.J. van Ettekoven, rechter in dit gerecht, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 december 2024, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, de griffier. Informatie over hoger beroep Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dagtekening van deze uitspraak. Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan. De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval: het hoger beroepschrift indienen in tweevoud; een afschrift van deze uitspraak bijvoegen; vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden). Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend. Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.