Uitspraak van 27 maart 2024 Lar nr. AUA202302292 GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA UITSPRAAK op het beroep in de zin van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van: [Appellant], van Venezolaanse nationaliteit, APPELLANT, gemachtigde: drs. M.L. Hassell, gericht tegen: DE MINISTER VAN ARBEID, ENERGIE EN INTEGRATIE, zetelend in Aruba, VERWEERDER, gemachtigde: de advocaat mr. V.C. Perše. PROCESVERLOOP Appellant heeft op 26 januari 2021 een aanvraag ingediend voor een tijdelijke vergunning tot verblijf, om als “store manager” bij “Envy by Clyde” te werken (vtv-6). Bij beschikking van 12 februari 2021 is deze aanvraag afgewezen. Tegen deze afwijzing heeft appellant op 13 februari 2021 bezwaar gemaakt. Bij beslissing van 14 september 2021 heeft verweerder voornoemd bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een machtiging. Bij uitspraak van dit gerecht van 15 juni 2022 (AUA202102712) is die beslissing vernietigd en is bepaald dat verweerder een nieuwe beslissing dient te nemen, omdat hij had nagelaten appellant in de gelegenheid te stellen alsnog een machtiging over te leggen. Bij beslissing van 27 oktober 2022 heeft verweerder voornoemd bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat -kort gezegd- de overgelegde machtiging van 16 maart 2021 niet toereikend is. Bij uitspraak van dit gerecht van 20 december 2023 (AUA202204266) is die bestreden beslissing vernietigd, omdat de overgelegde machtiging wel toereikend was, en is bepaald dat verweerder binnen twee maanden een nieuwe beslissing dient te nemen. Bij beslissing van 29 mei 2023 (de bestreden beslissing) heeft verweerder voornoemd bezwaar, ongegrond verklaard. Hiertegen heeft appellant op 30 juni 2023 beroep ingesteld bij dit gerecht door indiening van een pro-forma beroepschrift. Op 30 augustus 2023 heeft hij de gronden waarop zijn beroep berust, aangevuld. Verweerder heeft op 13 november 2023 een verweerschrift ingediend. De zaak is behandeld ter zitting van 6 december 2023, alwaar appellant bij zijn gemachtigde is verschenen, en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door de gemachtigde voornoemd. De uitspraak is nader bepaald op heden. OVERWEGINGEN Toereikende machtiging in beroep? 1.1 Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de Lar, dient indien het beroepschrift is ondertekend door een gemachtigde, die niet als advocaat is ingeschreven bij het Hof, bij de indiening daarvan tevens een machtiging te worden overgelegd. Het gerecht vergelijkt de handtekening van de indiener op de machtiging met die in zijn paspoort, zulks ter vaststelling of een beroepschrift namens de indiener is ondertekend als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Lar. Indien de overgelegde machtiging aanleiding geeft tot twijfel, dient dit verzuim te worden hersteld, tenzij betrokkene in persoon ter zitting verschijnt. 1.2 In dit geval is het beroepschrift ondertekend door drs. M.L. Hassell. Deze gemachtigde is niet als advocaat ingeschreven bij het Hof, zodat ingevolge artikel 29, tweede lid, van de Lar tevens een machtiging dient te worden overgelegd. 1.3 Bij het beroepschrift is een kopie van een machtiging van 25 november 2022 overgelegd. De handtekening op die machtiging komt -op het eerste gezicht- niet overeen met die in het op 24 januari 2023 verlopen paspoort van appellant. 2.1 Nu appellant reeds begin van het jaar 2021 uit Aruba is verwijderd, en de handtekening op de kopie van de machtiging niet overeenkomt met die in het paspoort, is bij het gerecht twijfel ontstaan over de toereikendheid van de overgelegde machtiging. 2.2 Gelet hierop is appellant, met toepassing van artikel 31 van de Lar, bij emailbericht van 10 juli 2023 in de gelegenheid gesteld een nieuwe originele machtiging, van recentere datum, over te leggen, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat appellant nog contact heeft met zijn gemachtigde. De heer Hassell heeft hierop bij e-mail geantwoord dat in voorgaande zaken appellant reeds machtigingen heeft overgelegd, dat het Hof niet heeft geoordeeld dat hij in elke zaak een nieuwe machtiging dient over te leggen, en dat hij vindt dat de overgelegde machtiging in deze wel degelijk toereikend is. 2.3 Appellant is niet ter zitting verschenen. De heer Hassell heeft ter zitting daarnaar gevraagd een kopie van een machtiging van 10 januari 2023 overgelegd. In die machtiging verklaart appellant dat de heer Hassell “bepaaldelijk gemachtigd is om voor en namens hem rechtsmiddelen tot het einde daarvan te verrichten en wel naar aanleiding van de afwijzing van het verzoek om terug te komen van een inmiddels in rechte onaantastbaar geworden beschikking en de twee afwijzingen om als storemanager in Aruba werkzaam te zijn, zoals het indienen van een bezwaarschrift tegen de beslissing op verzoek tot herziening (VTV-5) dd. 9 januari 2023, het instellen van beroep tegen de beslissing d.d. 23 maart 2023, (…).”. Behalve dat deze machtiging niet ziet op onderhavige procedure, constateert het gerecht dat de handtekening op deze recentere machtiging ook niet overeenkomt met de handtekening in het paspoort noch met die van de bij het beroepschrift overgelegde machtiging van 25 november 2022. Alhoewel hierdoor bij het gerecht de twijfel over de toereikendheid van de machtiging, niet is weggenomen, zal het mede gelet op de uitspraak van 20 december 2023, waarin de machtiging van 16 maart 2021 wel toereikend werd geacht, appellant niet reeds om deze reden niet-ontvankelijk verklaren in onderhavig beroep. Het geschil 3. Ter beantwoording ligt dan voor de vraag of verweerder in redelijkheid het bezwaar van appellant van 13 februari 2021, ongegrond had mogen verklaren. Bij de beoordeling neemt het gerecht het volgende in aanmerking. De standpunten van partijen 4.1 Appellant heeft zich -naar het gerecht begrijpt- op het standpunt gesteld, dat de bestreden beslissing vernietigd dient te worden, nu verweerder zijn hoorplicht heeft geschonden door te beslissen zonder een advies van de bezwaaradviescommissie af te wachten en zonder dat de bezwaaradviescommissie een hoorzitting heeft gehouden. Verder heeft appellant betoogd, dat de hem bij uitzettingsbevelen opgelegde periode van niet-toelating nog niet onherroepelijk zijn geworden, omdat het hoger beroep nog loopt. Tenslotte heeft appellant aangevoerd, dat verweerder ten onrechte niet is ingegaan op zijn bezwaargrond dat hij de vertrouwenspersoon is van een investeerder, dat hij daarom een notificatiebrief van de Departamento di Labor (DPL) heeft ontvangen en dat verweerder handelt in strijd met zijn eigen beleid door aan een vertrouwenspersoon een vergunning te weigeren. 4.2 Verweerder heeft zich -samengevat- op het standpunt gesteld, dat het beroep niet-ontvankelijk dan wel ongegrond dient te worden verklaard, nu de beslissing op goede gronden is genomen en verweerder in redelijkheid het vergunningsverzoek mocht afwijzen. De feiten 5.1 Aan appellant, geboren op 13 oktober 1988 in Venezuela en van Venezolaanse nationaliteit, is laatstelijk een verblijfsvergunning afgegeven om als “kitchen helper” werkzaam te zijn bij Mika N.V. (Taco Bell). Deze verblijfsvergunning (vtv-4) was geldig van 14 mei 2018 tot 14 mei 2019. 5.2 Op 11 juli 2019 heeft appellant een aanvraag ingediend ter verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf om bij Mika N.V. werkzaam te zijn (vtv-5). Bij beschikking van 13 september 2019 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen, onder andere omdat verweerder had geconstateerd dat appellant bij de SVb bij twee werkgevers (Mika NV en Masin NV) als werknemer stond ingeschreven. Hiertegen heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend. 5.3 Bij bevelschriften van 19 maart 2020 en 6 januari 2021 heeft de minister van Justitie de uitzetting van appellant bevolen. In die bevelen is telkens een periode van niet toelating opgelegd, laatstelijk van 48 maanden. Tegen deze bevelschriften heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het LarHof) van 25 oktober 2023 (AUA2022H00266), is de uitspraak van dit gerecht van 14 december 2022 (AUA202201138 en AUA202202133), waarbij de beroepschriften van appellant wegens het ontbreken van een toereikende machtiging niet-ontvankelijk zijn verklaard, bevestigd. 5.4 Bij brief van 4 juni 2020 verzocht appellant om herziening van de afwijzende beslissing van 13 september 2019 (vtv-5). Dit verzoek is bij beschikking van 9 januari 2023 afgewezen. Hiertegen heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij uitspraak van dit gerecht van 25 oktober 2023 (AUA202301785) is de fictieve afwijzing van het bezwaar vernietigd, en is verweerder gelast om binnen twee maanden een reële beslissing op het bezwaar te nemen. 5.5 Op 26 januari 2021 heeft appellant een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf om als store manager werkzaam te zijn bij de kapperszaak “Envy by Clyde” (vtv-6). Bij beschikking van 12 februari 2021 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Tegen de afwijzende beschikking heeft appellant op 13 februari 2021 bezwaar gemaakt. 5.6 Appellant is opgeroepen om te vertrekken op de humanitaire vluchten naar Venezuela op 9 september 2020, 30 september 2020, 4 november 2020, 28 november 2020 en 23 december 2020, maar heeft aan deze oproepen geen gehoor gegeven. Appellant is op 23 november 2021 feitelijk Aruba uitgezet. 5.7 In de thans bestreden beslissing (van 29 mei 2023) staat – voor zover hier van belang – het volgende: “(…) Uw bezwaarschrift (van 13 februari 2021) wordt ongegrond verklaard. De afwijzende beslissing van 12 februari 2021 blijft gehandhaafd. (…) Bij de heroverweging van 12 februari 2021 is verder het volgende in aanmerking genomen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.