← Nederland

ECLI:NL:OGEAA:2025:132

Parketnummer: P-2022/03157 Zaaknummer: 559 van 2023 Uitspraak van: 13 februari 2025 op tegenspraak GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA VONNIS in de strafzaak tegen de verdachte: [Verdachte], geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats], wonende in [woonplaats], te [adres], hierna: de verdachte. 1Onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 28 november 2024 en 23 januari 2025. Het Gerecht heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie mr. A. Vroombout, en van wat de verdachte en haar raadsman, mr. P.M.E. Mohamed, advocaat in Aruba, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting – ten laste gelegd dat: 1. zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 22 april 2022 te Aruba, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, van voorwerpen, te weten - geldbedragen van totaal 50.600,42 AWG, welke geldbedragen (contant) op de bankrekening van verdachte zijn gestort, en/of - ( een) geldbedrag(

  1. en)van (totaal) 80.000 ANG, met welk(
  2. e)geldbedrag(
  3. en)een boot (genaamd Sin Limite) is gekocht en/of welk(
  4. e)geldbedrag(
  5. en)zijn betaald met betrekking tot een overeenkomst aangaande de eigendom en/of het gebruik van die boot, en/of - geldbedragen van totaal AWG 12.220,-, welke geldbedragen (contant) zijn betaald voor de invoer en/of invoerrechten en/of inklaringskosten van een boot (genaamd Sin Limite), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing heeft verborgen of verhuld, althans heeft verborgen of verhuld wie de rechthebbende op dat voorwerp was/waren, of wie dat voorwerp voorhanden had(den), terwijl zij wist of begreep, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat voormeld voorwerp –onmiddellijk of middellijk- afkomstig was uit enig misdrijf en/of die voorwerpen heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen of omgezet, althans van die voorwerpen gebruikt heeft gemaakt, terwijl zij wist of begreep, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat voormelde voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf; ( artikel 2:404 lid 1 ahf/onder a Wetboek van Strafrecht van Aruba Artikel 2: 406 lid 1 ahf/onder a Wetboek van Strafrecht van Aruba) 2. zij in of omstreeks de periode van 27 oktober 2021 tot en met 30 maart 2022 te Aruba, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een voorwerp, te weten een boot (registratienummer [registratienummer], genaamd ‘Sin Limite’), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen of omgezet, althans van dat voorwerp gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist of begreep, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat voormeld voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf; ( artikel 2:404 lid 1 ahf/onder b Wetboek van Strafrecht van Aruba Artikel 2: 406 lid 1 ahf/onder b Wetboek van Strafrecht van Aruba) 3Voorvragen Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat beide tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden en daartoe het volgende betoogd. Verdachte, echtgenote van de medeverdachte [medeverdachte 1], kwam in beeld door het onderzoek naar de boot genaamd “Sin Limite”, naar aanleiding van een melding bij het Bureau Criminele Inlichtingen (BCI). De boot bleek op haar naam te staan en hieruit ontstond het vermoeden dat verdachte betrokken was bij het witwassen van de boot. Uit onderzoek naar haar financiële situatie bleek dat verdachte onvoldoende legale middelen ter beschikking had om de boot te kopen. Verder bleek dat er diverse contante stortingen op haar bankrekening werden gedaan. Van haar legale inkomsten als taxichauffeur heeft zij geen belastingaangifte gedaan. De verdachte heeft geen verklaring afgelegd die het witwasvermoeden ontzenuwt. Zij dient vermoedelijk als katvanger en zou dus hebben meegewerkt aan het verhullen van de criminele herkomst en de rechthebbende, aldus de officier van justitie. Er kan dan ook bewezen worden verklaard dat zij in vereniging met de medeverdachte [medeverdachte 1], de boot voorhanden heeft gehad, terwijl zij wist dat die boot niet met legaal geld was betaald. Daarnaast heeft zij een valse invoice ingediend, en daarmee getracht te verhullen wat de herkomst van de boot is en wie de rechthebbende was. Aldus nog steeds de officier van justitie. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit van hetgeen de verdachte ten laste is gelegd. Hij heeft daartoe -samengevat en zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd. Cliënte is bij dit onderzoek betrokken geraakt, vanwege de aanschaf van de boot genaamd ‘Sin Limite’. Het vermoeden is dat de boot op haar naam is gezet om haar echtgenoot als echte eigenaar af te schermen. Het onderzoeksteam acht het onwaarschijnlijk dat cliënte de financiële ruimte had om de koopsom van de boot te kunnen betalen. Daarbij gaat het openbaar ministerie er ten onrechte van uit dat de koopsom ad ANG 85.000,- bedroeg en volledig is betaald. In werkelijkheid bedraagt de koopsom ANG 75.000,- en cliënte heeft slechts een aanbetaling van ANG 40.000,- gedaan. Cliënte heeft over dat bedrag een verklaring gegeven die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand onwaarschijnlijk is, namelijk dat zij in de periode vanaf 2018 tot maart 2022 in totaal 21 maanden lang zes dagen per week als (hulp)taxichauffeur heeft gewerkt en dagelijks gemiddeld US$ 35,- aan tips heeft ontvangen, welke bedragen zij thuis heeft gespaard (in totaal US$ 17.640,-). Verder heeft zij uit de verkoop van haar auto, een Elantra, US$ 10.000,- ontvangen. Met dit geld heeft zij de aanbetaling van de boot betaald. Aldus de raadsman. 4.3 Het oordeel van het Gerecht 4.3.1. Bewijsoverwegingen De verdachte wordt -kort gezegd- ervan beschuldigd dat zij geldbedragen en goederen, met name een boot, heeft gebruikt en voorhanden heeft gehad, terwijl zij wist of redelijkerwijze moest vermoeden dat deze geldbedragen en goederen uit misdrijf afkomstig waren. Voor een bewezenverklaring van witwassen is onder andere vereist dat komt vast te staan dat de desbetreffende geldbedragen en goederen afkomstig zijn uit enig misdrijf. Bij de beoordeling hiervan neemt het Gerecht de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking: Inleiding Volgens informatie verkregen door het BCI in maart 2022, hebben de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2] recentelijk een boot gekocht, geregistreerd onder nummer [registratienummer] met de naam “Sin Limite”. Uit onderzoek is gebleken dat deze boot op 18 oktober 2021 door [betrokkene] werd verkocht aan de verdachte, en dat de boot op naam staat van de verdachte. Uit de “invoice” (map 3, pag. 852), die door zowel de verkoper als verdachte is ondertekend, volgt dat de boot door de verdachte is gekocht voor een koopprijs van NAF. 75.000,-, dat de verdachte US$ 22.225,- (NAF. 40.000) cash heeft betaald, en dat er nog een bedrag van NAF. 35.000,- open staat. Tevens is uit het onderzoek gebleken, dat verdachte op 19 december 2021 een bedrag van US$ 6.514,- cash aan het bedrijf Roos Sea Services & Ent. NV dba Caribbean Live Lobster heeft betaald voor de invoerrechten van die boot (map 3, pag. 825). Verder is uit het onderzoek gebleken, dat de verdachte, die vanaf 1 januari 2012 bij de belastingdienst is geregistreerd voor de heffing van inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen, niet heeft voldaan aan haar aangifteverplichting inkomstenbelasting en premies volksverzekering over de jaren 2018 tot en met 2020 (map 3, pag. 878). De verdachte heeft tijdens het verhoor (map 1, pag. 135-136) en ook ter terechtzitting verklaard, dat zij over haar inkomsten als (hulp)taxichauffeur, zijnde US$ 200,- per dag netto plus tips, in de periode vanaf 2018 tot en met maart 2022 geen belastingaangiftes heeft gedaan. Gronddelict Ingevolge artikel 68, eerste lid aanhef en onder sub b van de Algemene Landsverordening Belastingen, is -voor zover hier van belang- strafbaar degene die niet voldoet aan zijn verplichting om binnen de gestelde termijn een aangifte inkomstenbelasting aan te vragen. Verdachte is vanaf in ieder geval 1 januari 2018 verplicht om jaarlijks aangifte te doen van de inkomsten die zij genereert als (hulp-)taxichauffeur. Met haar verklaring, dat zij in de tenlastegelegde periode geen belastingaangiftes heeft gedaan, heeft verdachte bekend dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan -kort gezegd- belastingontduiking, als hierboven bedoeld. Nu zij van haar, door de belastingontduiking verkregen, vermogen, gebruik heeft gemaakt door contante bedragen die zij aan inkomstenbelasting verschuldigd was, mede te gebruiken om onder andere een aanbetaling te doen op een boot, heeft zij zich schuldig gemaakt aan witwassen van dat vermogen. Pleegperiode Het Gerecht overweegt verder dat nu een belastingaangifte telkens wordt gedaan over het voorafgaande jaar dit betekent dat de pleegperiode van feit 1 zal worden vastgesteld op 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021. Hoogte van witgewassen bedrag (“enig bedrag”) en specificering voorwerpen Het Gerecht heeft op grond van het dossier niet kunnen vaststellen wat de omvang is van het door de belastingontduiking verkregen vermogen, noch welke voorwerpen de verdachte met het ‘illegale’ geld heeft verworven. Geen opzetwitwassen ex art. 2:404 Sr Het Gerecht is van oordeel dat het dossier geen bewijsmiddelen bevat van opzet, zowel in de zin van zuiver opzet als in de zin van voorwaardelijk opzet, op het verkrijgen, verbergen en verhullen van geld met een criminele herkomst. Het Gerecht zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder 1 en 2 impliciet primair ten laste gelegde opzetwitwassen. Geen medeplegen Het dossier bevat geen bewijs dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen haar uit de belastingontduiking verkregen vermogen heeft gebruikt, zodat zij dient te worden vrijgesproken van het medeplegen. 4.3.2. Bewezenverklaarde Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feiten 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. zij in de periode van 1 januari 20182019 tot en met 31 december 2021 te Aruba, van voorwerpen, te weten - geldbedragen heeft omgezet, althans van die voorwerpen gebruik heeft gemaakt, terwijl zij redelijkerwijs moest vermoeden dat voormelde voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf. 2. zij in de periode van 27 oktober 2021 tot en met 28 december 2021 te Aruba, een voorwerp, te weten een boot (registratienummer [registratienummer], genaamd ‘Sin Limite’), heeft verworven terwijl zij redelijkerwijs moest vermoeden dat voormeld voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf. Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij daarvan wordt vrijgesproken. 4.3.3 Bewijsmiddelen Indien tegen dit verkorte vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door het Gerecht gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het vonnis. Deze aanvulling zal vervolgens aan het vonnis worden gehecht. 5De kwalificatie en de strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: Feiten 1 en 2, telkens: schuldwitwassen, strafbaar gesteld bij artikel 2:406 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar. 6De strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar. 7Oplegging van straf 7.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte te veroordelen tot een taakstraf voor 180 uur, te vervangen door 90 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die zij in verzekering en voorlopige hechtenis heeft gezeten en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar. 7.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd, omdat hij integrale vrijspraak heeft bepleit. 7.3 Het oordeel van het Gerecht Bij het bepalen van de straf heeft het Gerecht rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Ernst van de feiten De thans 35-jarige verdachte heeft gedurende de jaren 2019 tot april 2022 geen belastingaangifte gedaan van haar inkomen als (hulp)taxichauffeur (en als OPC). Volgens haar eigen verklaring heeft zij uit deze werkzaamheden forse inkomsten gegenereerd. Zij heeft zich vervolgens schuldig gemaakt aan het witwassen van haar, door de belastingontduiking verkregen, vermogen, door contante bedragen die zij aan inkomstenbelasting verschuldigd was, mede te gebruiken om onder andere een aanbetaling te doen op een boot. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten en het Gerecht neemt haar dit kwalijk. Persoonlijke omstandigheden De verdachte is, zo blijkt uit het haar aangaande uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 10 juni 2024, eerder (in juni 2016) onherroepelijk veroordeeld voor een soortgelijk misdrijf. Oplegging van straf Gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, is het Gerecht van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte en andere omstandigheden in dit geval geven aanleiding een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen. Dit voorwaardelijke strafdeel dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. * oriëntatiepunten Het Gerecht zal in dat verband aansluiting zoeken bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin staat op opzetwitwassen, met een benadelingsbedrag tussen Afl. 20.000 en Afl. 140.000,-, als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2-5 maanden dan wel een taakstraf van 120-240 uur met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand. Bij schuldwitwassen worden de oriëntatiepunten gehalveerd, en recidive geldt als een strafverhogende factor. * overschrijding van de redelijke termijn Het Gerecht is, na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat in beginsel de straf, zoals door de officier van justitie geëist, passend en geboden is. Het Gerecht stelt echter vast dat er sprake is van een schending van het recht van de verdachte op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Die redelijke termijn heeft immers een aanvang genomen op 6 april 2022, toen de verdachte buiten heterdaad werd aangehouden. De behandeling van de zaak in eerste aanleg is eerst op heden, 13 februari 2025, – en aldus niet binnen twee jaar – met een eindvonnis afgerond. Daarvoor zijn geen bijzondere omstandigheden aan te wijzen. Het Gerecht is van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn in dit geval tot strafvermindering moet leiden, in die zin dat de taakstraf met 60 uur dient te worden verlaagd. Conclusie Het Gerecht is, na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf in deze passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld. 8Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:11, 1:19, 1:20, 1:21, 1:45, 1:46 en 1:62 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba. DE BESLISSING Het Gerecht: - verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan; - verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij; - kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven; - verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar; - veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de twee

(2)maanden; - bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee
(2)jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt; - veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen hechtenis; - beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van 2 (twee) uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag. Dit vonnis is gewezen door mr. N.K. Engelbrecht, rechter, bijgestaan door mw. M.E. Kelly, (zittingsgriffier), en op 13 februari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerecht. uitspraakgriffier:

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.