Vonnis in kort geding van 28 mei 2025 Behorend bij AUA202501321 KG GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA VONNIS IN KORT GEDING in de zaak van: de publiekrechtelijke rechtspersoon CENTRALE BANK VAN ARUBA, te Aruba, EISERES, hierna te noemen: Centrale Bank, gemachtigde: advocaat mr. A.A.D.A. Carlo, tegen: 1[Gedaagde 1], te Aruba,hierna te noemen: [gedaagde 1],gemachtigde: advocaat mr. N.S. Gravenstijn,
- [Gedaagde 2],te Aruba,hierna te noemen: [gedaagde 2], gemachtigde: advocaat mr. P.M.E. Mohamed, 3.mr. [Notaris] in haar hoedanigheid van notaris, te Aruba,hierna te noemen: de notaris, gemachtigde: haar medewerker mr. B.A.N. Weijers,
- LAND ARUBA, te Aruba, hierna te noemen: Het Land,gemachtigde: mr. Carster (DWJZ) GEDAAGDEN. 1DE PROCEDURE 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift van 6 mei 2025 met vier producties; - de vooruitgezonden productie van de Centrale Bank; - de voorafgaand aan de zitting overgelegde producties 1, 2 en 3 van [gedaagde 1]; - de mondelinge behandeling op 23 mei
- 1.2 Tijdens de mondelinge behandeling van 23 mei 2025 zijn alle partijen verschenen: Namens de Centrale Bank mevrouw [betrokkene] met de gemachtigde, [gedaagde 1] bij haar gemachtigde, [gedaagde 2] met zijn gemachtigde, namens de notaris haar gemachtigde en namens Het Land zijn gemachtigde. Partijen hebben tijdens de zitting het woord gevoerd (de Centrale Bank, [gedaagde 1] en de notaris mede aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen) en hebben gereageerd op elkaars stellingen. 1.3 Vonnis is vervolgens bepaald op vandaag. 2DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN 2.1 De Centrale Bank vordert de opschorting van de executie van een bevelschrift van het Gerecht van 13 maart 2025 (verder: het bevelschrift) waarin de notaris en/of de Centrale Bank is bevolen het restant van de netto-opbrengst van de executoriale verkoop van het recht van erfpacht op een perceel domeingrond, kadastraal bekend als Tweede afdeling Sectie C, nummer [perceel nummer], plaatselijk bekend als [adres], aldus uit te betalen: -Afl. 13.702,32 aan de Belastingdienst te Aruba; -Afl. 223.475,18 aan [gedaagde 1], op een door haar gemachtigde aan te geven bankrekening; -Afl. 293.753,44 aan [gedaagde 2], op een door zijn gemachtigde aan te geven bankrekening. 2.2 De Centrale Bank legt aan de vordering ten grondslag dat het bevelschrift op een kennelijke feitelijke of juridische misslag berust, daaruit bestaande dat de rechter er geen rekening mee heeft gehouden dat ook de rechtspersoon naar het recht van de Britse Maagdeneilanden, Prestige Limited (verder: Prestige), mogelijk nog aanspraken heeft op de opbrengst van de executie. Betaling volgens het bevelschrift zou kunnen leiden tot aansprakelijkheid van de Centrale Bank jegens Het Land op grond van artikel 9 van de Landsverordening consignatie van gelden, aldus de Centrale Bank. 2.3 Het Land refereert zich aan het oordeel van het Gerecht. 2.4 [ Gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de vorderingen gemotiveerd betwist. Zij stellen dat de Centrale Bank geen recht op noch (spoedeisend) belang heeft bij opschorting van de executie. Integendeel, de Centrale Bank is gehouden het bevel van de rechter na te leven, aldus [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. 2.5 De notaris stelt dat zij onterecht althans om onbegrijpelijke redenen in de procedure is betrokken. Zij heeft aan haar verplichtingen voldaan door, bij onduidelijkheid over de rechten van Prestige, het saldo van de executie in de consignatiekas te storten. 3DE BEOORDELING 3.1 Het bevelschrift bevat geen misslag: geen feitelijke, noch een juridische. De Centrale Bank heeft ook niet duidelijk gemaakt waar die misslag uit zou bestaan. De Centrale Bank heeft gesteld dat de rechter heeft verzuimd om vast te stellen dat de rechten van Prestige zijn verjaard of verwerkt, maar dat hoefde de rechter niet vast te stellen. De rechter hoefde slechts te oordelen aan wie het restant van de opbrengst van de executie diende te worden betaald en heeft niet onjuist (impliciet) geoordeeld dat aan Prestige niets toekomt. 3.2 De vrees van de Centrale Bank dat hij of zijn directie op enig moment zou kunnen worden aangesproken door Het Land, dat op zijn beurt zou zijn aangesproken door Prestige, vormt geen (spoedeisend) belang dat opschorting van de executie rechtvaardigt. Te minder, nu de Centrale Bank geen oplossing heeft geboden voor de blokkering van de gelden in de consignatiekas zonder einddatum die het gevolg zou zijn van toewijzing van zijn vordering: een onaanvaardbaar nadeel voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Een oplossing zou gelegen kunnen zijn in een antwoord op de vraag wat het faillissement van Prestige gevolgd door doorhaling in het register en ontbinding betekent naar het recht van de Britse Maagdeneilanden, maar dat antwoord heeft geen van partijen gegeven. Bij het ontbreken van enige concrete aanwijzing dat (iemand namens) Prestige nog met succes aanspraak zou kunnen maken op een deel van de opbrengst van de executie, valt niet vol te houden dat de Centrale Bank een fout zou maken door het bevelschrift uit te voeren. En als dat in theorie al fout zou kunnen zijn, dan komt het de voorzieningenrechter uitermate onwaarschijnlijk voor dat Het Land ooit zal worden aangesproken door een in 2017 gefailleerde, in 2018 doorgehaalde en in 2023 ontbonden vennootschap op de Britse Maagdeneilanden, welke aanspraak Het Land dan ook zou doorschuiven naar (de directie van) de Centrale Bank. 3.3 Hoe dan ook, niets van wat de Centrale bank heeft aangevoerd vormt een belang dat opschorting van de executie rechtvaardigt, laat staan een spoedeisend belang. 3.4 Op de hiervoor gegeven gronden wijst het Gerecht de vordering af. De Centrale Bank wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten van gedaagden, die worden begroot als volgt: - Salaris gemachtigde [gedaagde 1]: Afl. 1.000,-. - Salaris gemachtigde [gedaagde 2]: Afl. 1.000,-. - Verschotten notaris: Afl. 100,-. 3.5 Aan het Land worden geen kosten toegekend omdat het zich feitelijk heeft geschaard aan de zijde van de Centrale Bank en dus niet is te beschouwen als een partij die gelijk heeft gekregen. 4DE BESLISSING Het Gerecht, rechtdoende in kort geding: 4.1 wijst de vorderingen van de Centrale Bank af; 4.2 veroordeelt de Centrale Bank in de proceskosten van gedaagden, tot de uitspraak van dit vonnis begroot als volgt: - Salaris gemachtigde [gedaagde 1]: Afl. 1.000,- - Salaris gemachtigde [gedaagde 2]: Afl. 1.000,- - Verschotten notaris: Afl. 100,- Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. van Unen, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 28 mei 2025 in aanwezigheid van de griffier.