Vonnis van 23 april 2025 Behorend bij AUA202403538 BB GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA VONNIS in de zaak van: [Eiser], wonende in Aruba, te [adres 1], eiser, hierna ook te noemen: [eiser], procederende in persoon, tegen: [Verweerder], wonende in Aruba, te [adres 2], verweerder, hierna ook te noemen: [verweerder], procederende in persoon.
- DE VERDERE PROCEDURE 1.1 Het verloop van de procedure tot 29 januari 2025 blijkt uit het tussenvonnis van dit Gerecht van die datum. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: - de comparitie van partijen, gehouden op 13 maart
- 1.2 [Eiser] is in persoon ter zitting verschenen. Hoewel behoorlijk opgeroepen is [verweerder] niet verschenen. De ter zitting verschenen [eiser] heeft het woord gevoerd en heeft ook vragen van het Gerecht beantwoord. 1.3 Vonnis is bepaald op heden. 2HET GESCHIL 2.1 [ [Eiser] vordert dat het Gerecht - zo het begrijpt - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [verweerder] veroordeelt: a. om aan [eiser] te betalen Afl. 1.800,-, te vermeerderen met wettelijke rente en voorts te vermeerderen met een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten; b. in de kosten van deze procedure. 2.2 [ Verweerder] voert verweer. 3DE VERDERE BEOORDELING 3.1 Het Gerecht volhardt in zijn in het tussenvonnis neergelegde overwegingen en beslissingen. 3.2 Ingevolge rechtsoverweging 2.7 van het tussenvonnis moest [eiser] ter zitting de vraag beantwoorden waarom hij meent dat [verweerder] aan hem Afl. 1.800,- verschuldigd is terwijl tussen partijen is afgesproken dat [verweerder] Afl. 500,- zou terugbetalen aan [eiser] voor niet of niet goed door [verweerder] uitgevoerde werkzaamheden aan het dak van de woning van [eiser]. 3.3 [ Eiser] heeft ter zitting verklaard dat [verweerder] Afl. 1.800,- aan hem moet terugbetalen omdat achteraf is gebleken dat meer schade is toegebracht door [verweerder] aan het dak van de woning van [eiser]. Het Gerecht ziet in het licht van voormelde tussen partijen gemaakte afspraak echter geen grondslag om [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van Afl. 1.800,-. 3.4 [ Eiser] heeft onbetwist gesteld dat [verweerder] tot nog toe geen cent heeft terugbetaald aan hem. Dat betekent dat de vordering van [eiser] ten belope van Afl. 500,-- zal worden toegewezen. 3.5 De gevorderde wettelijke rente zal, als zijnde niet door [verweerder] betwist, worden toegewezen vanaf veertien
(14)dagen na betekening van dit vonnis aan [verweerder], nu gesteld noch gebleken is dat [verweerder] die rente vanaf een eerder moment verschuldigd is aan [eiser]. 3.6 De door [eiser] gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen als zijnde onvoldoende onderbouwd. Gesteld noch is gebleken dat [eiser] dienaangaande meer werkzaamheden heeft verricht of laten verrichten dan die ter voorbereiding en instructie van deze zaak, waarin artikel 63a Rv voorziet. 3.7 [ Verweerder] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [eiser] tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 50,- aan verschotten (griffiegeld). 4DE UITSPRAAK Het Gerecht: 4.1 veroordeelt [verweerder] om aan [eiser] te betalen Afl. 500,-, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis aan [verweerder] tot aan de dag van de volledige betaling; 4.2 veroordeelt [verweerder] in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [eiser], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 50,-; 4.3 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 4.4 wijst af het meer of anders door [eiser] verzochte. Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 23 april 2025 in aanwezigheid van de griffier.