Vonnis van 11 juni 2025 Behorend bij AUA202500317 AR GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA ROLBESCHIKKING in de zaak van: 1[Eiseres], wonende in de Verenigde Staten, 2. [Eiser], wonende in Aruba, eisers, gemachtigde: de advocaat mr. G. de Hoogd, tegen: [Gedaagde], wonende aan de [adres] te [plaats], Bondsrepubliek Duitsland, gedaagde, niet verschenen. 1DE PROCEDURE 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift, ingekomen op 5 februari 2025, met producties 1 tot en met 5. 2DE BEOORDELING 2.1 Gedaagde is bij exploot van 13 februari 2025 door de deurwaarder ([deurwaarder]) opgeroepen om te verschijnen op 28 mei 2025 om 8.30 uur ter terechtzitting van het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba. Gedaagde is niet in de procedure verschenen. Daarom moet het Gerecht beoordelen of de betekening en de kennisgeving van het oproepingsexploot van het verzoekschrift op zodanige wijze is geschied dat verstek tegen gedaagde kan worden verleend. 2.2 Omdat uit het verzoekschrift van eisers blijkt dat gedaagde woonachtig is op een adres in Duitsland, moet de betekening plaatsvinden overeenkomstig het Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken van 15 november 1965 (hierna: het Haags Betekeningsverdrag), waarbij zowel Aruba als Duitsland partij zijn. Verder is in de oproepingsbeschikking bepaald dat het exploot moet zijn gepubliceerd in het dagblad Diario en in de Landscourant vóór 20 februari 2025. 2.3 Het Gerecht stelt vast dat de deurwaarder het exploot met de oproepbeschikking op 13 februari 2025 heeft overgegeven aan de directeur van het DWJZ, die het originele oproepingsexploot voor gezien heeft getekend. Ook stelt het Gerecht vast dat het exploot op 14 februari 2025 is gepubliceerd in het dagblad Diario en op 7 maart 2025 is aangekondigd in de Landscourant. Het Gerecht beschikt echter niet over stukken waaruit kan worden afgeleid dat de betekening van het oproepingsexploot en het verzoekschrift heeft plaatsgevonden overeenkomstig het Haags Betekeningsverdrag. 2.4 Omdat het Gerecht op basis van de beschikbare stukken niet kan beoordelen of de betekening heeft plaatsgevonden overeenkomstig het Haags Betekeningsverdrag, heeft de griffier van het Gerecht inlichtingen ingewonnen bij de Directie Wetgeving en Juridische Zaken (hierna: DWJZ). Bij e-mail van 9 juni 2025 heeft een vertegenwoordiger van de DWJZ aan de Griffier bericht dat het oproepingsexploot op 13 februari 2025 is ontvangen door de DJWZ en dat vervolgens alleen publicatie in de Landscourant heeft plaatsgevonden. 2.5 Het Gerecht concludeert dat de betekening niet heeft plaatsgevonden overeenkomstig de vereisten van het Haags Betekeningsverdrag. Het voorgaande brengt mee dat gedaagde opnieuw moet worden opgeroepen. Gelet op artikel 115 Rv en de daaruit voortvloeiende verplichtingen van het Gerecht, zal het Gerecht de deurwaarder daarom opdragen om gedaagde, overeenkomstig artikel 5 aanhef en onder 8 Rv, artikel 10 lid 1 Rv en door tussenkomst van de DWJZ op te roepen. Verder zal het Gerecht bepalen dat de oproeping moet geschieden via de formele weg zoals neergelegd in de artikelen 3 tot en met 6 van het Haags Betekeningsverdrag. 2.6 Op grond van artikel 3 van het Haags Betekeningsverdrag moet bij de aanvraag bij de centrale autoriteit van Duitsland gebruik worden gemaakt van het als bijlage bij het Haags Betekeningsverdrag gevoegde modelformulier (in te vullen in de Engelse of Franse taal, zie artikel 7 van het Haags Betekeningsverdrag), vergezeld van twee exemplaren van de gerechtelijke stukken, te weten: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.