Vonnis van 1 oktober 2025 Behorend bij AUA202500500 AR GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA ROLBESCHIKKING in de zaak van: 1[Eiser 1]2. [Eiser 2], beiden te Aruba, eisers, gemachtigde: de advocaat mr. R.J. Kock, tegen: [Gedaagde], wonende te [adres], [plaats] in de [woonplaats], gedaagde, niet verschenen. 1DE PROCEDURE 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift, ingekomen op 20 februari 2025, met producties 1 tot en met 4. 2DE BEOORDELING 2.1 Gedaagde is bij exploot van 11 maart 2025 door de deurwaarder ([deurwaarder]) opgeroepen om te verschijnen ter terechtzitting van het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba. Gedaagde is niet in de procedure verschenen. Daarom moet het Gerecht beoordelen of de betekening en de kennisgeving van het oproepingsexploot van het verzoekschrift op zodanige wijze is geschied dat verstek tegen gedaagde kan worden verleend. 2.2 Omdat uit het verzoekschrift van eisers blijkt dat gedaagde woont op een adres in de Verenigde Staten van Amerika (hierna ook: de VS), moet de betekening plaatsvinden overeenkomstig het Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken van 15 november 1965 (hierna: het Haags Betekeningsverdrag), waarbij zowel Aruba als de VS partij zijn. 2.3 Het Gerecht stelt vast dat de deurwaarder het exploot met de oproepbeschikking op 11 maart 2025 heeft afgegeven aan de directeur van het DWJZ, die het originele oproepingsexploot voor gezien heeft getekend. 2.4 Omdat het Gerecht op basis van de beschikbare stukken niet kan beoordelen of de betekening vervolgens heeft plaatsgevonden overeenkomstig het Haags Betekeningsverdrag, heeft de griffier van het Gerecht begin juni 2025 inlichtingen ingewonnen bij de Directie Wetgeving en Juridische Zaken (hierna: DWJZ). Na rappel heeft een vertegenwoordiger van DWJZ bij e-mail van 12 september 2025 aan de griffier bericht dat DJWZ het oproepingsexploot op 4 april 2025 via Post Aruba dubbel aangetekend heeft verzonden, maar dat DWJZ tot op heden geen ontvangstbevestiging heeft ontvangen. 2.5 Hoewel de VS zich niet verzet tegen rechtstreekse verzending van gerechtelijke stukken per post aan personen die zich in het buitenland bevinden (zoals bedoeld in artikel 10 aanhef en onder a Haags Betekeningsverdrag), kan het Gerecht op basis van de voorhanden stukken niet vaststellen dat DWJZ het oproepingsexploot en het verzoekschrift aangetekend aan gedaagde heeft verzonden en deze stukken de gedaagde daadwerkelijk hebben bereikt. Het Gerecht beschikt slechts over een schriftelijke mededeling van DWJZ dat de stukken aangetekend naar het adres zijn verzonden, maar dat dit is gebeurd is niet gebleken, laat staan dat de stukken gedaagde daadwerkelijk hebben bereikt. 2.6 Het voorgaande brengt mee dat gedaagde opnieuw moet worden opgeroepen. Gelet op artikel 115 Rv en de daaruit voortvloeiende verplichtingen van het Gerecht, zal het Gerecht de deurwaarder daarom opdragen om gedaagde, overeenkomstig artikel 5 aanhef en onder 8 Rv, artikel 10 lid 1 Rv en door tussenkomst van de DWJZ op te roepen. Verder zal het Gerecht bepalen dat de oproeping moet geschieden via de formele weg zoals neergelegd in de artikelen 3 tot en met 6 van het Haags Betekeningsverdrag. 2.7 Op grond van artikel 3 van het Haags Betekeningsverdrag moet bij de aanvraag bij de centrale autoriteit van de VS gebruik worden gemaakt van het als bijlage bij het Haags Betekeningsverdrag gevoegde modelformulier (in te vullen in de Engelse of Franse taal, zie artikel 7 van het Haags Betekeningsverdrag), vergezeld van twee exemplaren van de gerechtelijke stukken, te weten: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.